WEEK 6 WERKGROEP 1
ONDERWERP:
Aansprakelijkheid voor eigen onrechtmatige daad (algemeen)
Ontwikkeling zorgvuldigheidsnorm
Toerekenbaarheid
VAARDIGHEDEN:
Analyseren wetgeving
Analyseren jurisprudentie
Casus oplossen
LITERATUUR:
Brahn/Reehuis: hoofdstuk 21.1-21.2.5, 21.2.9.
JURISPRUDENTIE BLACKBOARD:
HR 10 juni 1910, W 9038 (Zutphense waterleiding).
HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161
(Lindenbaum/Cohen) m. nt. Molengraaff.
HR 5 november 1966, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) m. nt. G.
Scholten.
INLEIDING OP DE STOF
Algemeen
Naast de overeenkomst is de onrechtmatige daad een belangrijke bron van
verbintenissen. In het Burgerlijk Wetboek wordt onderscheid gemaakt tussen
aansprakelijkheid op grond van eigen onrechtmatige daad (afdeling 6.3.1 BW) en
kwalitatieve aansprakelijkheid (afdeling 6.3.2 BW). In deze week (week 6) wordt de
aansprakelijkheid op grond eigen onrechtmatige daad behandeld, de kwalitatieve
aansprakelijkheden volgen in week 7. In deze week staat de vraag centraal onder welke
voorwaarden aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ontstaat. Of de schade die het
gevolg is van de onrechtmatige daad, al dan niet geheel, voor vergoeding in aanmerking
komt, dient te worden bepaald aan de hand van de artikelen uit afdeling 6.1.10 (artt.
6:95 t/m 110 BW). In week 8 wordt nader op dit thema ingegaan.
Aansprakelijkheid op grond van eigen onrechtmatige daad; art. 6:162 BW
Bij aansprakelijkheid voor een eigen onrechtmatige daad (persoonlijke aansprakelijkheid)
gelden de volgende 5 vereisten (art. 6:162 BW):
1. onrechtmatigheid; de onrechtmatige gedraging kan bestaan uit
een inbreuk op een (subjectief) recht dat aan een ander toekomt of
een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of
een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt (strijd met de zorgvuldigheid).
2. relativiteit; de relativiteitsleer ziet erop toe dat alleen dan recht op
schadevergoeding bestaat, indien de overtreden norm strekt tot bescherming tegen
de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (art. 6:163 BW).
3. toerekenbaarheid; de belangrijkste wijze van toerekening bestaat uit ‘schuld’ in de
betekenis van ‘verwijtbaarheid’. Echter ook zonder schuld is aansprakelijkheid
mogelijk op grond van de wet (art. 6:165 BW) of verkeersopvattingen, art. 6:162 lid
3 BW.
ONDERWERP:
Aansprakelijkheid voor eigen onrechtmatige daad (algemeen)
Ontwikkeling zorgvuldigheidsnorm
Toerekenbaarheid
VAARDIGHEDEN:
Analyseren wetgeving
Analyseren jurisprudentie
Casus oplossen
LITERATUUR:
Brahn/Reehuis: hoofdstuk 21.1-21.2.5, 21.2.9.
JURISPRUDENTIE BLACKBOARD:
HR 10 juni 1910, W 9038 (Zutphense waterleiding).
HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161
(Lindenbaum/Cohen) m. nt. Molengraaff.
HR 5 november 1966, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) m. nt. G.
Scholten.
INLEIDING OP DE STOF
Algemeen
Naast de overeenkomst is de onrechtmatige daad een belangrijke bron van
verbintenissen. In het Burgerlijk Wetboek wordt onderscheid gemaakt tussen
aansprakelijkheid op grond van eigen onrechtmatige daad (afdeling 6.3.1 BW) en
kwalitatieve aansprakelijkheid (afdeling 6.3.2 BW). In deze week (week 6) wordt de
aansprakelijkheid op grond eigen onrechtmatige daad behandeld, de kwalitatieve
aansprakelijkheden volgen in week 7. In deze week staat de vraag centraal onder welke
voorwaarden aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ontstaat. Of de schade die het
gevolg is van de onrechtmatige daad, al dan niet geheel, voor vergoeding in aanmerking
komt, dient te worden bepaald aan de hand van de artikelen uit afdeling 6.1.10 (artt.
6:95 t/m 110 BW). In week 8 wordt nader op dit thema ingegaan.
Aansprakelijkheid op grond van eigen onrechtmatige daad; art. 6:162 BW
Bij aansprakelijkheid voor een eigen onrechtmatige daad (persoonlijke aansprakelijkheid)
gelden de volgende 5 vereisten (art. 6:162 BW):
1. onrechtmatigheid; de onrechtmatige gedraging kan bestaan uit
een inbreuk op een (subjectief) recht dat aan een ander toekomt of
een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of
een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt (strijd met de zorgvuldigheid).
2. relativiteit; de relativiteitsleer ziet erop toe dat alleen dan recht op
schadevergoeding bestaat, indien de overtreden norm strekt tot bescherming tegen
de schade zoals de benadeelde die heeft geleden (art. 6:163 BW).
3. toerekenbaarheid; de belangrijkste wijze van toerekening bestaat uit ‘schuld’ in de
betekenis van ‘verwijtbaarheid’. Echter ook zonder schuld is aansprakelijkheid
mogelijk op grond van de wet (art. 6:165 BW) of verkeersopvattingen, art. 6:162 lid
3 BW.