WEEK 8 WERKGROEP 1
ONDERWERP:
Causaal verband, redelijke toerekening
Schadevergoeding
Eigen schuld, medeschuld
VAARDIGHEDEN:
Analyseren wetgeving
Analyseren jurisprudentie
Historische bronnen lezen en in context plaatsen
Mondeling presenteren met en in een groep
LITERATUUR:
Brahn/Reehuis:
Hoofdstuk 21.2.7, 21.2.8
Hoofdstuk 23
Blackboard:
E.G.D. van Dongen, ‘Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij/Morré; enige
rechtsvergelijkende en rechtshistorische beschouwingen over de gevolgen van eigen
schuld van de gelaedeerde voor de aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen’,
Pro Memorie 2014, p. 76-101, paragrafen 1, 2 en 5.
JURISPRUDENTIE:
Brahn:
- HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535 (Des-dochters)
Blackboard:
- HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509 m.nt. G.J. Scholten
(Amercentrale)
- HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG496, AA 1985, p. 417-421 m. nt. J.H.
Nieuwenhuis (Renteneurose)
- HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5603, NJ 2008/262 (Brandstichting
Frieslandhal)
INLEIDING OP DE STOF
In de voorafgaande weken zijn verschillende bronnen van verplichtingen tot het betalen
van schadevergoeding behandeld zoals de wanprestatie en de onrechtmatige daad. De
regels over de inhoud en omvang van die verplichtingen tot schadevergoeding zijn door
de wetgever samengebracht in Afdeling 6.1.10 BW (art. 6:95 BW e.v.). Daar zijn
verschillende onderwerpen geregeld (soorten schade, begroting, causaal verband,
voordeeltoerekening, eigen schuld, schade bij letsel en overlijden, matiging, limitering).
De wetgever heeft de ontwikkeling van het schadevergoedingsrecht niettemin voor een
groot deel aan de rechter overgelaten, die dit terrein zelfstandig nader vormgeeft.
ONDERWERP:
Causaal verband, redelijke toerekening
Schadevergoeding
Eigen schuld, medeschuld
VAARDIGHEDEN:
Analyseren wetgeving
Analyseren jurisprudentie
Historische bronnen lezen en in context plaatsen
Mondeling presenteren met en in een groep
LITERATUUR:
Brahn/Reehuis:
Hoofdstuk 21.2.7, 21.2.8
Hoofdstuk 23
Blackboard:
E.G.D. van Dongen, ‘Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij/Morré; enige
rechtsvergelijkende en rechtshistorische beschouwingen over de gevolgen van eigen
schuld van de gelaedeerde voor de aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen’,
Pro Memorie 2014, p. 76-101, paragrafen 1, 2 en 5.
JURISPRUDENTIE:
Brahn:
- HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0706, NJ 1994/535 (Des-dochters)
Blackboard:
- HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509 m.nt. G.J. Scholten
(Amercentrale)
- HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG496, AA 1985, p. 417-421 m. nt. J.H.
Nieuwenhuis (Renteneurose)
- HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5603, NJ 2008/262 (Brandstichting
Frieslandhal)
INLEIDING OP DE STOF
In de voorafgaande weken zijn verschillende bronnen van verplichtingen tot het betalen
van schadevergoeding behandeld zoals de wanprestatie en de onrechtmatige daad. De
regels over de inhoud en omvang van die verplichtingen tot schadevergoeding zijn door
de wetgever samengebracht in Afdeling 6.1.10 BW (art. 6:95 BW e.v.). Daar zijn
verschillende onderwerpen geregeld (soorten schade, begroting, causaal verband,
voordeeltoerekening, eigen schuld, schade bij letsel en overlijden, matiging, limitering).
De wetgever heeft de ontwikkeling van het schadevergoedingsrecht niettemin voor een
groot deel aan de rechter overgelaten, die dit terrein zelfstandig nader vormgeeft.