Thema 3: Parlement en regering: regeringsvorm
Inleiding op het thema:
Tijdens de vorige bijeenkomst is stilgestaan bij de verschillende politieke organen die op
nationaal niveau opereren. Daarbij is vooral aandacht besteed aan de wijze waarop deze
organen zijn samengesteld en hoe zich dat verhoudt tot beginselen van de democratische
rechtsstaat. In deze bijeenkomst wordt aandacht besteed aan de onderlinge verhoudingen
tussen deze organen. Ook hier spelen de beginselen van de democratische rechtsstaat een
belangrijke rol. Zo kan vanuit het oogpunt van democratie worden verklaard waarom er
zoiets is als een vertrouwensregel en waarom het proces van kabinetsformatie loopt zoals
het verloopt. Tegelijkertijd speelt het beginsel van machtenscheiding hier een rol.
De verhouding die tijdens deze bijeenkomst wordt bestudeerd, wordt ook wel aangeduid als
de regeringsvorm. Het soort regeringsvorm dat een land heeft, geeft aan hoe binnen dat
land wordt gedacht over de vraag hoe de regering (of hoe het primaire executieve orgaan in
dat land mag heten) zich verhoudt tot de volksvertegenwoordiging. In Westerse
democratieën zijn parlementaire stelsel en presidentiële stelsels de meest voorkomende
regeringsvormen. Nederland heeft een parlementair stelsel. Dit houdt in dat de regering niet
kan functioneren zonder het vertrouwen van een meerderheid binnen de
volksvertegenwoordiging. Hoewel ministers in Nederland formeel door de Koning worden
benoemd, zorgt deze vertrouwensrelatie ervoor dat in de praktijk geen ministers worden
benoemd waarvan een meerderheid binnen (in ieder geval) de Tweede Kamer het niet ziet
zitten. Daarbij past ook dat de regering (in ieder geval de ministers daarbinnen) kunnen
worden verplicht verantwoording af te leggen aan het parlement.
In een presidentieel stelsel wordt de regering niet gelegitimeerd door het parlement, maar
heeft zij een eigen legitimatie. Vaak is dit een democratische legitimatie, waarbij aan het
hoofd van de regering een door het volk gekozen president staat en dat deze president (en
eventueel zijn ministers) niet in een vertrouwensrelatie staan ten opzichte van het parlement.
Tijdens deze bijeenkomst staat een aantal elementen van het Nederlandse parlementaire
stelsel centraal. Daarbij gaat het vooral om ministeriële verantwoordelijkheid en de
vertrouwensregel. De meeste aandacht zal uitgaan naar de verhouding tussen ministers en
de Tweede Kamer. Ook de verhouding tussen de ministers en de Eerste Kamer zal (kort)
aan de orde worden gesteld.
Literatuur:
- BKVW: Hoofdstukken 9, 10 (alleen par. 10.1 en 10.4-10.7), 11
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u:
1. benoemen wat de omvang is van ministeriële verantwoordelijkheid, welke organen
verantwoordingsplichtig zijn en aan welke organen deze verantwoording wordt
afgelegd;
2. onderscheiden welke verschillende manieren de Tweede en Eerste Kamer hebben
om deze verantwoording af te dwingen (controlebevoegdheden);
3. de onder 1 en 2 genoemde kennis toepassen op casus die zijn ontleend aan de
Nederlandse politieke praktijk;
4. uitleggen wat de vertrouwensregel is en hoe deze in de praktijk wordt toegepast;
5. aangeven wat de verhouding is tussen deze vertrouwensregel en het
ontbindingsrecht;
Inleiding staats- en bestuursrecht 2015-2016, © Universiteit Utrecht
Inleiding op het thema:
Tijdens de vorige bijeenkomst is stilgestaan bij de verschillende politieke organen die op
nationaal niveau opereren. Daarbij is vooral aandacht besteed aan de wijze waarop deze
organen zijn samengesteld en hoe zich dat verhoudt tot beginselen van de democratische
rechtsstaat. In deze bijeenkomst wordt aandacht besteed aan de onderlinge verhoudingen
tussen deze organen. Ook hier spelen de beginselen van de democratische rechtsstaat een
belangrijke rol. Zo kan vanuit het oogpunt van democratie worden verklaard waarom er
zoiets is als een vertrouwensregel en waarom het proces van kabinetsformatie loopt zoals
het verloopt. Tegelijkertijd speelt het beginsel van machtenscheiding hier een rol.
De verhouding die tijdens deze bijeenkomst wordt bestudeerd, wordt ook wel aangeduid als
de regeringsvorm. Het soort regeringsvorm dat een land heeft, geeft aan hoe binnen dat
land wordt gedacht over de vraag hoe de regering (of hoe het primaire executieve orgaan in
dat land mag heten) zich verhoudt tot de volksvertegenwoordiging. In Westerse
democratieën zijn parlementaire stelsel en presidentiële stelsels de meest voorkomende
regeringsvormen. Nederland heeft een parlementair stelsel. Dit houdt in dat de regering niet
kan functioneren zonder het vertrouwen van een meerderheid binnen de
volksvertegenwoordiging. Hoewel ministers in Nederland formeel door de Koning worden
benoemd, zorgt deze vertrouwensrelatie ervoor dat in de praktijk geen ministers worden
benoemd waarvan een meerderheid binnen (in ieder geval) de Tweede Kamer het niet ziet
zitten. Daarbij past ook dat de regering (in ieder geval de ministers daarbinnen) kunnen
worden verplicht verantwoording af te leggen aan het parlement.
In een presidentieel stelsel wordt de regering niet gelegitimeerd door het parlement, maar
heeft zij een eigen legitimatie. Vaak is dit een democratische legitimatie, waarbij aan het
hoofd van de regering een door het volk gekozen president staat en dat deze president (en
eventueel zijn ministers) niet in een vertrouwensrelatie staan ten opzichte van het parlement.
Tijdens deze bijeenkomst staat een aantal elementen van het Nederlandse parlementaire
stelsel centraal. Daarbij gaat het vooral om ministeriële verantwoordelijkheid en de
vertrouwensregel. De meeste aandacht zal uitgaan naar de verhouding tussen ministers en
de Tweede Kamer. Ook de verhouding tussen de ministers en de Eerste Kamer zal (kort)
aan de orde worden gesteld.
Literatuur:
- BKVW: Hoofdstukken 9, 10 (alleen par. 10.1 en 10.4-10.7), 11
Leerdoelen:
Na bestudering van de opgegeven literatuur en het bijwonen van de onderwijsbijeenkomsten
kunt u:
1. benoemen wat de omvang is van ministeriële verantwoordelijkheid, welke organen
verantwoordingsplichtig zijn en aan welke organen deze verantwoording wordt
afgelegd;
2. onderscheiden welke verschillende manieren de Tweede en Eerste Kamer hebben
om deze verantwoording af te dwingen (controlebevoegdheden);
3. de onder 1 en 2 genoemde kennis toepassen op casus die zijn ontleend aan de
Nederlandse politieke praktijk;
4. uitleggen wat de vertrouwensregel is en hoe deze in de praktijk wordt toegepast;
5. aangeven wat de verhouding is tussen deze vertrouwensregel en het
ontbindingsrecht;
Inleiding staats- en bestuursrecht 2015-2016, © Universiteit Utrecht