Inleiding privaatrecht II – 2016
WEEK 2
ONDERWERPEN
Werkgroep I
Eigendom
Wijzen van verkrijging
Bezit en houderschap
Werkgroep II
Absolute en relatieve werking van rechten vanuit een historisch perspectief
De (historische wortels van de) numerus clausus
INLEIDING OP DE STOF
In Boek 3 is een bijzondere rechtsverhouding van personen tot goederen geregeld. Het gaat
hier om bezit, titel 3.5. Het feit dat iemand een goed bezit - voor zichzelf macht uitoefent
over dat goed - wil als zodanig nog niet zeggen dat hij ook rechthebbende van dat goed (c.q.
eigenaar van die zaak of rechthebbende op de vordering) is. De dief bijvoorbeeld is wel
bezitter, maar geen eigenaar van de gestolen zaak. De rechtsbegrippen eigendom en bezit
dienen dus goed onderscheiden te worden.
De feitelijke toestand van bezit heeft wel rechtsgevolgen. Voorbeelden hiervan zijn dat de
bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn en hij daarmee voordeel in bewijsrechtelijk
opzicht geniet (processuele functie), dat de bezitter te goeder trouw bepaalde
vergoedingsrechten heeft en dat de bezitter van een zaak aansprakelijk kan zijn voor schade.
Naast de begrippen eigendom en bezit kennen we het begrip houderschap (detentie).
Daarvan is sprake als iemand macht over een goed uitoefent voor een ander. Dit doet zich
met name voor als iemand een goed onder zich heeft krachtens een rechtsverhouding tot
iemand anders, zoals bijvoorbeeld bij het huurcontract.
Zowel bezit als houderschap kan onmiddellijk en middellijk worden uitgeoefend. Onmiddellijk
betekent dat de bezitter of houder zelf het goed onder zich heeft. Middellijk betekent dat de
macht door middel van iemand anders wordt uitgeoefend (middellijk bezit, middellijk
houderschap, art. 3:107-3:109 BW).
Wijzen van eigendomsverkrijging
Zoals vorige week aan de orde is gekomen, is eigendom het meest omvattende recht dat een
persoon op een zaak kan hebben. Eigendom kan op diverse wijzen worden verkregen, met
WEEK 2
ONDERWERPEN
Werkgroep I
Eigendom
Wijzen van verkrijging
Bezit en houderschap
Werkgroep II
Absolute en relatieve werking van rechten vanuit een historisch perspectief
De (historische wortels van de) numerus clausus
INLEIDING OP DE STOF
In Boek 3 is een bijzondere rechtsverhouding van personen tot goederen geregeld. Het gaat
hier om bezit, titel 3.5. Het feit dat iemand een goed bezit - voor zichzelf macht uitoefent
over dat goed - wil als zodanig nog niet zeggen dat hij ook rechthebbende van dat goed (c.q.
eigenaar van die zaak of rechthebbende op de vordering) is. De dief bijvoorbeeld is wel
bezitter, maar geen eigenaar van de gestolen zaak. De rechtsbegrippen eigendom en bezit
dienen dus goed onderscheiden te worden.
De feitelijke toestand van bezit heeft wel rechtsgevolgen. Voorbeelden hiervan zijn dat de
bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn en hij daarmee voordeel in bewijsrechtelijk
opzicht geniet (processuele functie), dat de bezitter te goeder trouw bepaalde
vergoedingsrechten heeft en dat de bezitter van een zaak aansprakelijk kan zijn voor schade.
Naast de begrippen eigendom en bezit kennen we het begrip houderschap (detentie).
Daarvan is sprake als iemand macht over een goed uitoefent voor een ander. Dit doet zich
met name voor als iemand een goed onder zich heeft krachtens een rechtsverhouding tot
iemand anders, zoals bijvoorbeeld bij het huurcontract.
Zowel bezit als houderschap kan onmiddellijk en middellijk worden uitgeoefend. Onmiddellijk
betekent dat de bezitter of houder zelf het goed onder zich heeft. Middellijk betekent dat de
macht door middel van iemand anders wordt uitgeoefend (middellijk bezit, middellijk
houderschap, art. 3:107-3:109 BW).
Wijzen van eigendomsverkrijging
Zoals vorige week aan de orde is gekomen, is eigendom het meest omvattende recht dat een
persoon op een zaak kan hebben. Eigendom kan op diverse wijzen worden verkregen, met