IER, periode 4
Week 6
Inleiding Europees Recht
Periode 4, 2015-2016
Week 6
EU-burgerschap en fundamentele rechten
Voorgeschreven literatuur:
ERAD (2015): Hoofdstuk 4, blz. 137-152.
Reader: Week 6
Warm-up vragen
I. Geef aan welk van de onderstaande geen onderneming is in de zin van Europees
recht.
a) Gemeente die als eigenares van de grond bepaalde
onroerendgoedtransacties aangaat met verschillende bouwbedrijven.
b) Het ophalen van huisafval door de gemeente, hier is geen sprake van een
onderneming, omdat er geen sprake is van een eenheid die een economische
activiteit uitoefent. Het ophalen van huisafval is een overheidsprerogatief,
dus geen onderneming.
c) Gemeente gaat voor de woningbouw in zee met verschillende
ontwikkelingsmaatschappijen en bouwbedrijven.
d) Gemeente gaat kinderopvang aanbieden en naschoolse activiteiten
organiseren, tegen marktconforme prijzen die betaald worden door de
ouders.
II. Leg uit wat de overeenkomsten en de verschillen tussen de arresten C-265/95,
Commissie tegen Frankrijk en C-112/00, Schmidberger zijn (Reader, week 4).
Wat voegt het arrest Schmidberger toe aan de ontwikkeling van het recht
omtrent het vrij verkeer van goederen en bescherming van de fundamentele
rechten? In beiden wordt er een belemmering van de interne markt. De overheid
deed niks om het op te lossen, er was sprake van een omissie. Ook in Schmidberger
deed de overheid niks, wat ook een belemmering vormde voor het vrij verkeer van
goederen. Schmidberger voegt nog toe dat het een grondrecht (vrijheid van
meningsuiting en vrijheid van vergadering) is dat moet worden afgewogen tegen
het vrij verkeer.
III. Op welke manieren kan het Hof van Justitie in Luxemburg de bescherming van
mensenrechten waarborgen? Het EHRM kan direct aan het EVRM toetsen. 1. Het
HvJ kan toetsen aan het Handvest (art. 6 VEU). 2. Ook in art. 6 staat dat de Unie toe
zal treden tot het EVRM. 3. Het EVRM en nationale constitutionele tradities werken
door als algemene beginselen van de Unie.
Opdrachten en vragen
Vraag 1 - Toetreding van de EU tot het EVRM
Week 6
Inleiding Europees Recht
Periode 4, 2015-2016
Week 6
EU-burgerschap en fundamentele rechten
Voorgeschreven literatuur:
ERAD (2015): Hoofdstuk 4, blz. 137-152.
Reader: Week 6
Warm-up vragen
I. Geef aan welk van de onderstaande geen onderneming is in de zin van Europees
recht.
a) Gemeente die als eigenares van de grond bepaalde
onroerendgoedtransacties aangaat met verschillende bouwbedrijven.
b) Het ophalen van huisafval door de gemeente, hier is geen sprake van een
onderneming, omdat er geen sprake is van een eenheid die een economische
activiteit uitoefent. Het ophalen van huisafval is een overheidsprerogatief,
dus geen onderneming.
c) Gemeente gaat voor de woningbouw in zee met verschillende
ontwikkelingsmaatschappijen en bouwbedrijven.
d) Gemeente gaat kinderopvang aanbieden en naschoolse activiteiten
organiseren, tegen marktconforme prijzen die betaald worden door de
ouders.
II. Leg uit wat de overeenkomsten en de verschillen tussen de arresten C-265/95,
Commissie tegen Frankrijk en C-112/00, Schmidberger zijn (Reader, week 4).
Wat voegt het arrest Schmidberger toe aan de ontwikkeling van het recht
omtrent het vrij verkeer van goederen en bescherming van de fundamentele
rechten? In beiden wordt er een belemmering van de interne markt. De overheid
deed niks om het op te lossen, er was sprake van een omissie. Ook in Schmidberger
deed de overheid niks, wat ook een belemmering vormde voor het vrij verkeer van
goederen. Schmidberger voegt nog toe dat het een grondrecht (vrijheid van
meningsuiting en vrijheid van vergadering) is dat moet worden afgewogen tegen
het vrij verkeer.
III. Op welke manieren kan het Hof van Justitie in Luxemburg de bescherming van
mensenrechten waarborgen? Het EHRM kan direct aan het EVRM toetsen. 1. Het
HvJ kan toetsen aan het Handvest (art. 6 VEU). 2. Ook in art. 6 staat dat de Unie toe
zal treden tot het EVRM. 3. Het EVRM en nationale constitutionele tradities werken
door als algemene beginselen van de Unie.
Opdrachten en vragen
Vraag 1 - Toetreding van de EU tot het EVRM