1. Klinisch onderzoek, ziektegeschiedenis, algemene indruk
2. Algemeen onderzoek
3. Respiratie-onderzoek
4. Circulatie-onderzoek
5. Digestie-onderzoek herkauwer
6. Oogonderzoek
7. Onderzoek nieren en urinewegen
8. Neurologisch onderzoek
9. Locomotie-onderzoek
10. Uieronderzoek
11. Onderzoek vrouwelijk genitaalapparaat
12. Onderzoek mannelijk genitaalapparaat
13. Onderzoek varken
14. Onderzoek kip
15. Referentiewaarden
, Klinisch onderzoek landbouwhuisdieren:
Klinisch onderzoek:
• Ziektegeschiedenis: - Signalement
- Anamnese
• Algemene indruk
• Algemeen onderzoek
• Onderzoek orgaansysteem(en)
• Aanvullend onderzoek
Ziektegeschiedenis:
Signalement: . Alleen onveranderlijke kenmerken.
Diersoort
Ras
Geslacht
Leeftijd
Kleur
Aftekeningen
Bijzondere kenmerken
o Littekens
o Tatoeages
o Gecoupeerde staarten
o Oornummer (LH)
Anamnese:
1. Vragen met betrekking tot de klacht en het orgaansysteem waaruit deze blijkt voor
te komen. Specifieke vragen gericht op het orgaansysteem
• Aard van de klacht
• Hoelang bestaat de klacht?
• Wat is het ziekteverloop?
• Is er al een behandeling ingesteld?
2. Vragen over andere orgaansystemen. Vragen naar de algemene toestand.
• Eetlust
• Drinken
• Urineren
• Faecespassage
• Groei, ei- of melkproductie
3. Vragen die betrekking hebben op het milieu, de voeding, de huisvesting en de te
onderzoeken dieren en koppelgenoten
• Stal/weide
• Andere dieren in de koppel ziek?
• Voedermethode
• Watervoorziening
• Hygiëne
• Klimatologische omstandigheden
, • Voorkomen van parasitaire, virale en bacteriële infecties
Algemene indruk:
• Gedrag (m.n. veranderingen, beoordelen in eigen omgeving)
• Houding en Gang
• Voedingstoestand. Rekening houden met ras en gebruiksdoel. Bepalen aan de hand
van de spieren van de rug en lendenen. Rekening houden met lactatiestadium,
beoordelen volgens ‘body condition score’ (1-5).
• Verzorgingstoestand. Gelet wordt op de vacht (korte termijn) en de hoornige
structuren (lange termijn). Afhankelijk van eigenaar en huisvestingsomstandigheden.
• IHOSKA’s. Rond dier lopen en afwijkingen zien, ruiken of horen. Veranderlijke
kenmerken.
, Algemeen onderzoek landbouwhuisdieren:
à Het AO geeft informatie over de algemene toestand van de patient, niet specifiek over
organen
à Het moet als de omstandigheden het toelaten, altijd worden uitgevoerd
à Het wordt in principe in rust uitgevoerd
à Het wordt vergeleken met de referentiewaardes in rust
Opbouw:
1. Ademhaling
2. Pols
3. Temperatuur
• Beharing, huid en hoornige structuren
• Slijmvliezen
• Lymfeknopen
• (andere) opvallende afwijkingen
Ademhaling: schuin achter dier staand beoordelen.
• Diepte: kijken naar excursie van de thorax- en buikwand geeft indicatie van het
ademvolume
• Type:
o Costo-abdominaal: actieve inspiratie, passieve expiratie
o Te costaal: bij hoge druk in abdomen
o Te abdominaal: actieve ondersteuning van de expiratie. Bij emfyseem,
vernauwingen van de luchtwegen. Soms met naknijpen (zowel actieve als
passieve expiratie)
o Pendelend: bij problemen met diaframa
• Ritme: onregelmatige diepte is fysiologisch in rust. Stootsgewijs ademen is afwijkend.
• Frequentie: tenminste halve minuut tellen. Rund: 10-30/min.
à Pathologisch verhoogd door verminderd ademhalingsoppervlak,
verhoogde druk of gebrekkige zuurstofopname.
à Pathologisch verlaagd door remming ademhalingscentrum,
melkziekte, metabole alkalose.
Pols: aan de a. facialis, laag op de laterale zijvlakte van de onderkaak, net na de omslag in de
incisura vasorum.
• Frequentie: aantal slagen per minuut. Rund: 50-80/min.
à Pathologisch verhoogd bij anemie, koorts, pijn en
circulatiestoornissen.
à Pathologisch verlaagd door verhoogde vagotonie of bij stoornissen
in de prikkelvorming in de sinusknoop.
• Regelmaat à Regelmatig
à Regelmatig onregelmatig:
à Onregelmatig onregelmatig: bij atriumfibrillatie, extrasystolen,
sinusaritmie
• Kwaliteit à Equaliteit = gelijkblijvende amplitude van elke polsgolf. Een