Tijd van steden en staten(1000 tot 1500)
Het grote rijk van Karel de Grote(KdG) werd in 843 opgedeeld in drie rijken: het westelijke(Frankrijk),
Oostelijk(Duitsland) en het middengebied, wat al snel uiteen viel. Rond 1250 begon de trek naar de
steden.
De middeleeuwse maatschappij was overwegend een agrarische samenleving met, door het klimaat,
grote regionale verschillen. De overeenkomsten zijn vooral
- Het overgrote deel van de bevolking werkte op het land
- De lokale gemeenschappen waren autarkisch, ze konden zichzelf voorzien
- De dorpen/gemeenschappen bestonden uit meerdere gezinnen, waarbij het kerngezin(Pa ma en
kind) de kleinste eenheid was
- Er werd alleen onderscheid gemaakt in de vrijen en de niet-vrijen.
Binnen de groep van de vrijen werden mensen ingedeeld in standen: adel en geestelijk en het overige
volk. Zij namen niet meer deel aan het productieproces. De standenmaatschappij bepaalde in welke
stand je kwam, die waarin je geboren bent. Je erfde status en functie. De vrijen waren mensen die over
hun eigen bezittingen en persoon konden beschikkingen, zonder verplichting aan iemand anders dan de
koning. Ook deelname aan de rechtsspraak werd gezien als verplichting.
De edelen hadden de hoogste stand, zij hadden zeggenschap over anderen. Je werd edele door je
afstamming, waar bezit en positie een grote rol spelen. Grondbezit was de basis voor de economische
en politieke positie. De Adel had als functie de verdediging van het land en hun onderdanen, maar dit
werd al snel overgenomen door ridders.
De Geestelijkheid was de tweede stand, de dienst aan God was vrij voor iedereen, maar in praktijk
waren de mogelijkheden van de onvrije beperkt, omdat zij toestemming van de baas nodig hadden.
Armen en halfvrije konden de verplichting om het klooster binnen te treden niet geven, namelijk een
gift.
Boeren vormden het overgrote deel van de derde stand. Ook behoorden de latere stedelingen, reizende
handelaren en de rest er bij.
Een Ridder was trouw aan zijn heer, en werd geacht met doodsverachting te strijden. Van de Ideale
Ridder werd verwacht dat hij de zwakkeren hielp, hij moest strijden in het leger van Christus tegen
vijanden van de kerk. Roofridders waren ridders die zich niet hielden aan de erecode. De zoons van
kasteelheren werden al van jongs af aan voorbereid op het ridderschap. Rond hun 7e verliet de zoon het
kasteel en bij een bevriende kasteelheer leerde hij de riddercode. Hij kreeg een wapenuitrusting. Rond
de 14e verjaardag was je jongen een Joker en trad hij in als schildknaap en droeg zijn eerste zwaard.
Het Riddertoernooi was een trainingskamp als voorbereiding op de oorlog. Gevechten van man tot man
waar zelfs op leven en dood(á outrance, tot het uiterste) werd gevochten. Het veranderde langzaam in
een voorbereiding op de steekspelen van de 13e en 14e eeuw. Toernooi komt van het werkwoord
1 H4, tijd van Steden en Staten(1000 – 1500)
Het grote rijk van Karel de Grote(KdG) werd in 843 opgedeeld in drie rijken: het westelijke(Frankrijk),
Oostelijk(Duitsland) en het middengebied, wat al snel uiteen viel. Rond 1250 begon de trek naar de
steden.
De middeleeuwse maatschappij was overwegend een agrarische samenleving met, door het klimaat,
grote regionale verschillen. De overeenkomsten zijn vooral
- Het overgrote deel van de bevolking werkte op het land
- De lokale gemeenschappen waren autarkisch, ze konden zichzelf voorzien
- De dorpen/gemeenschappen bestonden uit meerdere gezinnen, waarbij het kerngezin(Pa ma en
kind) de kleinste eenheid was
- Er werd alleen onderscheid gemaakt in de vrijen en de niet-vrijen.
Binnen de groep van de vrijen werden mensen ingedeeld in standen: adel en geestelijk en het overige
volk. Zij namen niet meer deel aan het productieproces. De standenmaatschappij bepaalde in welke
stand je kwam, die waarin je geboren bent. Je erfde status en functie. De vrijen waren mensen die over
hun eigen bezittingen en persoon konden beschikkingen, zonder verplichting aan iemand anders dan de
koning. Ook deelname aan de rechtsspraak werd gezien als verplichting.
De edelen hadden de hoogste stand, zij hadden zeggenschap over anderen. Je werd edele door je
afstamming, waar bezit en positie een grote rol spelen. Grondbezit was de basis voor de economische
en politieke positie. De Adel had als functie de verdediging van het land en hun onderdanen, maar dit
werd al snel overgenomen door ridders.
De Geestelijkheid was de tweede stand, de dienst aan God was vrij voor iedereen, maar in praktijk
waren de mogelijkheden van de onvrije beperkt, omdat zij toestemming van de baas nodig hadden.
Armen en halfvrije konden de verplichting om het klooster binnen te treden niet geven, namelijk een
gift.
Boeren vormden het overgrote deel van de derde stand. Ook behoorden de latere stedelingen, reizende
handelaren en de rest er bij.
Een Ridder was trouw aan zijn heer, en werd geacht met doodsverachting te strijden. Van de Ideale
Ridder werd verwacht dat hij de zwakkeren hielp, hij moest strijden in het leger van Christus tegen
vijanden van de kerk. Roofridders waren ridders die zich niet hielden aan de erecode. De zoons van
kasteelheren werden al van jongs af aan voorbereid op het ridderschap. Rond hun 7e verliet de zoon het
kasteel en bij een bevriende kasteelheer leerde hij de riddercode. Hij kreeg een wapenuitrusting. Rond
de 14e verjaardag was je jongen een Joker en trad hij in als schildknaap en droeg zijn eerste zwaard.
Het Riddertoernooi was een trainingskamp als voorbereiding op de oorlog. Gevechten van man tot man
waar zelfs op leven en dood(á outrance, tot het uiterste) werd gevochten. Het veranderde langzaam in
een voorbereiding op de steekspelen van de 13e en 14e eeuw. Toernooi komt van het werkwoord
1 H4, tijd van Steden en Staten(1000 – 1500)