Eisen
De kandidaat kan:
– aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
– de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
– de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
– relaties tussen delen van een tekst aangeven;
– conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van
de auteur
Soorten vragen
Scanvraag: je gaat snel op zoek naar bepaalde informatie en je leest slechts
enkele woorden. Bekijk hierbij vooral de tekst heel globaal.
Hoofdgedachtevraag: je moet precies op zoek naar de kern van de tekst.
Hiervoor is intensief lezen vereist. Onnodige informatie mag je wegstrepen.
Formuleringsvraag: bij deze vraag moet je op zoek naar de betekenis van een
bepaald woord of een bepaalde zin.
Conclusievraag: je moet zelf een conclusie trekken over een bepaald stukje
tekst. Hiervoor moet je de tekst intensief lezen.
Invulvraag: je moet bij deze vraag woorden invullen op een open plek in de
tekst. Het handigst is om de tekst rondom de open plek goed te lezen en te
begrijpen. Je moet dan eerst zelf bedenken wat een goed antwoord zou kunnen
zijn en pas daarna een keuze maken uit de meerkeuze antwoorden.
Open vraag
Bij een open vraag moet je altijd zelf het antwoord op een vraag formuleren.
Soms moet je hierbij uit de tekst citeren, waarbij je dus letterlijk een stukje
tekst moet overschrijven.
Hoe pak je zo’n open vraag nou aan?
Lees als eerste de vraag goed door. Omdat je de tekst als het goed is al een
beetje gelezen hebt, kan je vervolgens in de tekst snel het deel opzoeken waar
de vraag over gaat. Lees dit deel in de tekst goed door. Schrijf je antwoord
vervolgens in goedlopend Nederlands op.
- Een voorbeeld van een open vraag is ‘Leg uit wat de betekenis is van …’.
De kandidaat kan:
– aangeven welke informatie relevant is, gegeven een vaststaande behoefte;
– de hoofdgedachte van een tekst(gedeelte) aangeven;
– de betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven;
– relaties tussen delen van een tekst aangeven;
– conclusies trekken met betrekking tot intenties, opvattingen en gevoelens van
de auteur
Soorten vragen
Scanvraag: je gaat snel op zoek naar bepaalde informatie en je leest slechts
enkele woorden. Bekijk hierbij vooral de tekst heel globaal.
Hoofdgedachtevraag: je moet precies op zoek naar de kern van de tekst.
Hiervoor is intensief lezen vereist. Onnodige informatie mag je wegstrepen.
Formuleringsvraag: bij deze vraag moet je op zoek naar de betekenis van een
bepaald woord of een bepaalde zin.
Conclusievraag: je moet zelf een conclusie trekken over een bepaald stukje
tekst. Hiervoor moet je de tekst intensief lezen.
Invulvraag: je moet bij deze vraag woorden invullen op een open plek in de
tekst. Het handigst is om de tekst rondom de open plek goed te lezen en te
begrijpen. Je moet dan eerst zelf bedenken wat een goed antwoord zou kunnen
zijn en pas daarna een keuze maken uit de meerkeuze antwoorden.
Open vraag
Bij een open vraag moet je altijd zelf het antwoord op een vraag formuleren.
Soms moet je hierbij uit de tekst citeren, waarbij je dus letterlijk een stukje
tekst moet overschrijven.
Hoe pak je zo’n open vraag nou aan?
Lees als eerste de vraag goed door. Omdat je de tekst als het goed is al een
beetje gelezen hebt, kan je vervolgens in de tekst snel het deel opzoeken waar
de vraag over gaat. Lees dit deel in de tekst goed door. Schrijf je antwoord
vervolgens in goedlopend Nederlands op.
- Een voorbeeld van een open vraag is ‘Leg uit wat de betekenis is van …’.