Roos van Leary
2 basisbehoeften als je werkt met deelnemers met een gedragsprobleem:
Het willen hebben van invloed op de anderen en hun omgeving.
Geaccepteerd willen worden door de ander(en)
Vier soorten gedragingen uit de roos van Leary:
Boven-gedrag: persoon is gericht op veel invloed uitoefenen.
Onder-gedrag: persoon is niet of nauwelijks gericht op invloed uitoefenen.
Samen-gedrag: persoon is gericht op acceptatie.
Tegen-gedrag: persoon is gericht op andere belangen dan acceptatie (meestal op het
resultaat).
Gedrag roept gedrag op, actie zorgt voor reactie.
De regels van actie-reactie:
Boven-gedrag roept onder-gedrag op.
Onder-gedrag roept boven-gedrag op.
Samen-gedrag roept samen-gedrag op.
Tegen-gedrag roept tegen-gedrag op.
Boven- boven en tegen- tegen gedrag leidt vaak tot conflicten. De één wil niet meebewegen
met de ander. Oplossingen: weglopen uit de situatie, hulp vragen, bemiddeling, etc.
Rode en blauwe gedragslijnen binnen de Roos van Leary:
Rode lijn volgend: leidend gedrag roept afhankelijk gedrag op. Als de 1 leidt, is de
kans groot dat de ander je gaat volgen.
Blauwe lijn volgend: aanvallend gedrag roept verdedigend gedrag op. Beide partijen
willen hun gelijk krijgen. Dit gedrag gebeurt in discussies en fysieke conflicten.
Invloed uitoefenen op het gedrag van de deelnemers:
De deelnemer verandert zijn gedrag positief of negatief. Afhankelijk van welke plek jij
kiest in de Roos van Leary.
De deelnemer toont gedrag dat jij graag wilt zien. Jij moet je aansluiten bij de
deelnemer om balans te houden in de Roos of Leary.
Werken binnen en buiten de comfortzone
Typerend aan leren omgaan met moeilijk verstaanbaar gedrag: je moet durven en leren
kijken naar je eigen gedrag. Vaak moet je de aanpak veranderen. Ook moet je jouw gedrag
aanpassen.
Comfortzone: het mentale beeld van wat een begeleider denkt dat hij wel en niet kan en dat
waar hij zich prettig bij voelt.
Leerzone: door voor het onbekende te gaan, leer je van je ervaring en wordt het steeds
minder spannend om te doen.
Soorten zones:
Contact maken en reguleren
, 2 termen die de basis leggen voor succesvolle bewegingsactiviteiten: contact maken en
reguleren. Je moet de ander blijven zien. De begeleider moet goed weten hoe hij contact kan
maken, wat hij in het contact doet, waar hij goed in is en wat hij te leren heeft in het contact.
Ook wat het effect is op de deelnemer op de manier hoe je contact maakt.
Hoe organiseer ik een activiteit?
Goede voorbereiding ruim van tevoren:
Kennis hebben van:
o Bewegingsniveau deelnemers
o Stoornissen deelnemers
o Cognitieve niveau deelnemers
o Activiteit (moeilijker/ makkelijker maken)
o De context
Voldoende zelfinzicht hebben.
Duidelijke doelen stellen deelnemer.
Duidelijke doelen stellen activiteit.
Goede afspraken medebegeleiders.
Bepalen welke rol- taakverdeling gehanteerd gaat worden.
Vlak van tevoren:
Zaal veilig inrichten.
Informatie inwinnen over de groep/ deelnemer.
Eventueel:
o Activiteiten of doelen bijstellen.
o Afspraken met medebegeleiders herzien.
Flexibility of Behaviour
Flexibility of Behaviour: hiermee kan je invloed uitoefenen op het systeem en de omgeving.
Systeem gericht op: deelnemers, familie en beïnvloeders.
Omgeving gericht op: fysieke en letterlijke omgeving.
Manieren hoe begeleiders om kunnen gaan met verschillende situaties op een flexibele
manier:
Laisser faire: je laat de deelnemers zelf uitzoeken wat er kan bij de activiteit.
Directief: je bent duidelijk naar de deelnemers.
Volgend/ leidend: eerst kijken wat de deelnemer nodig heeft en dan neem je de
leiding.
Begeleidend: je begeleidt de deelnemer letterlijk en figuurlijk.
Begrijpend: je toont begrip voor de deelnemer.
Enthousiast of stimulerend.
Rustig en afwachtend.
Militaristisch: opdracht = opdracht.
(Te) zorgend: overnemen van verantwoordelijkheden.
Op afstand: fysiek ver van de groep af, maar met verbale ondersteuning.
Dichtbij met veel lichamelijk contact: lijfelijk sturen.
Pedagogische tips
Didactiek in de zaal