Psychologie samenvatting boek
Hoofdstuk 1:
Gedrag: een manier waarop iemand zich gedraagt. Dit verwijst zich naar een norm voor
goed (of slecht) gedrag.
Gedragsbioloog Nelissen zegt: “het is onmogelijk om gedrag te definiëren. Hij stelt dat
gedrag begint met het registreren van een prikkel.
Begrip veiligheid: voor iedereen is dit begrip anders. Iedereen heeft zijn/haar eigen
interpretatie van veiligheid omdat iedereen het anders associeert. Voor iemand is gevaar
nietszeggend en voor sommigen een angstervaring.
Norm veilig gedrag:
1. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
2. Werkpraktijken erop nahouden die risico’s verlagen
3. Gezondheids- veiligheidsinformatie communiceren
4. Werknemersrechten en verantwoordelijkheden uitoefenen
Hoofdstuk 2:
stuurt aan interacteert met
Hersenen lichaam omgeving
stuurt sensorische info geeft zintuigen informatie
Van geest naar lichaam: cognitieve neurowetenschappen kwamen in 1924 voor het eerst bij
de ontdekking dat bij mensen elektrische hersenactivatie werd gemeten door middel van
elektro- encefalografie. Deze activiteit wordt veroorzaakt door de optelsom van 86 miljard
zenuwstellen in het brein.
, Van rationeel naar voorspellingsmachine: mensen zijn van nature geneigd om processen in
te delen in duidelijke stappen. Die is psychologisch maar ook neurologisch in het brein te
benaderen.
Hoofdstuk 5:
Persoonlijkheid als verklaring voor gedrag: al sinds eeuwen proberen mensen
gedragsverschillen te verklaren. zo dacht Hippocrates dat het menselijk gedrag bepaald
wordt door verschillende lichaamsvloeistoffen: bloed, zwarte en gele gal of slijm.
Schaalverdeling big five:
Hierbij gaat het om de 5 grote karaktereigenschappen. Daar tegenover staan ook
Hoofdstuk 6:
Verschillende soorten gedrag:
Risicogedrag: bijvoorbeeld het beoefenen van extreme sporten, te hard rijden of met
alcohol op rijden, verslavingsgedrag of werken zonder veiligheidsmaatregelen. Het heeft
vaak zowel een negatieve invloed op jezelf en voor anderen.
Dagelijks gedrag: fietsen, autorijden, televisiekijken, eten en drinken, maar ook werk
gerelateerde activiteiten.
Gezondheidsgedrag: veel onderzoek naar je gezondheid zoals; hoe kun je gewicht verliezen,
gezonder eten, gaan sporten of stoppen met roken.
Koopgedrag: het accepteren en aanschaffen van nieuwe producten of diensten.
Milieugedrag: bewuster leven, energiezuiniger leven en afval scheiden.
Hoofdstuk 1:
Gedrag: een manier waarop iemand zich gedraagt. Dit verwijst zich naar een norm voor
goed (of slecht) gedrag.
Gedragsbioloog Nelissen zegt: “het is onmogelijk om gedrag te definiëren. Hij stelt dat
gedrag begint met het registreren van een prikkel.
Begrip veiligheid: voor iedereen is dit begrip anders. Iedereen heeft zijn/haar eigen
interpretatie van veiligheid omdat iedereen het anders associeert. Voor iemand is gevaar
nietszeggend en voor sommigen een angstervaring.
Norm veilig gedrag:
1. Gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
2. Werkpraktijken erop nahouden die risico’s verlagen
3. Gezondheids- veiligheidsinformatie communiceren
4. Werknemersrechten en verantwoordelijkheden uitoefenen
Hoofdstuk 2:
stuurt aan interacteert met
Hersenen lichaam omgeving
stuurt sensorische info geeft zintuigen informatie
Van geest naar lichaam: cognitieve neurowetenschappen kwamen in 1924 voor het eerst bij
de ontdekking dat bij mensen elektrische hersenactivatie werd gemeten door middel van
elektro- encefalografie. Deze activiteit wordt veroorzaakt door de optelsom van 86 miljard
zenuwstellen in het brein.
, Van rationeel naar voorspellingsmachine: mensen zijn van nature geneigd om processen in
te delen in duidelijke stappen. Die is psychologisch maar ook neurologisch in het brein te
benaderen.
Hoofdstuk 5:
Persoonlijkheid als verklaring voor gedrag: al sinds eeuwen proberen mensen
gedragsverschillen te verklaren. zo dacht Hippocrates dat het menselijk gedrag bepaald
wordt door verschillende lichaamsvloeistoffen: bloed, zwarte en gele gal of slijm.
Schaalverdeling big five:
Hierbij gaat het om de 5 grote karaktereigenschappen. Daar tegenover staan ook
Hoofdstuk 6:
Verschillende soorten gedrag:
Risicogedrag: bijvoorbeeld het beoefenen van extreme sporten, te hard rijden of met
alcohol op rijden, verslavingsgedrag of werken zonder veiligheidsmaatregelen. Het heeft
vaak zowel een negatieve invloed op jezelf en voor anderen.
Dagelijks gedrag: fietsen, autorijden, televisiekijken, eten en drinken, maar ook werk
gerelateerde activiteiten.
Gezondheidsgedrag: veel onderzoek naar je gezondheid zoals; hoe kun je gewicht verliezen,
gezonder eten, gaan sporten of stoppen met roken.
Koopgedrag: het accepteren en aanschaffen van nieuwe producten of diensten.
Milieugedrag: bewuster leven, energiezuiniger leven en afval scheiden.