Biologie
2.1
Vb geluidsbronnen: box, stem, instrument, fluitje, belsignaal
Geluidsbronnen trillen ritmisch
Die trilling veroorzaakt in lucht, een vloeistof of een vaste staf is de middenstof
Er ontstaan drukveranderingen in de middenstof als de deeltjes rondom de
geluidsbron gaan meetrillen en worden samengedrukt.
Het afwisselen van drukveranderingen is een geluidsgolf. Geluid is een fysische
trilling, omdat deeltjes beginnen trillen door botsing met andere deeltjes.
Hoe hoog of laag de toon van het geluid is de toonhoogte en wordt bepaald door het
aantal trillingen per seconde. Dit is frequentie en wordt uitgedrukt in Hertz (Hz).
Hoe groter de frequentie hoe groter de toon. Mensen horen geluiden van 20hz tot
20000hz, geluiden hoger als 20000hz horen we niet en is ultrasone geluiden. En
lager als 20hz horen we ook niet en dit zijn infrasone geluiden.
Geluidssterkte is de uitwijking van de trilling. We drukken geluidssterkte uit in decibel
(db). Het zachtste geluid dat we kunnen waarnemen is de gehoordrempel.
2.2
Uitwendig zie je alleen de oorschelp. Het eigenlijke
gehoororgaan met geluidsreceptoren ligt beschermd in
het rotsbeen. Het kleine gaatje in het rotsbeen is de
opening van de gehoorgang.
In het gehoorzintuig 3 delen:
1. Het uitwendig oor
2. Het middenoor
3. Het inwendig oor
De geluidsreceptoren die de geluidsprikkels
waarnemen, liggen beschermd in het inwendig
oor.
, 1. Oorschelp: vangt geluiden op en
geleidt ze naar de gehoorgang.
2. Kraakbeen: zit in oorschelp
3. Gehoorgang: geleid de
geluidsgolven naar het trommelvlies.
De vorm en lengte van het zorgt
voor een versterking van
toonhoogtes. Het bestaat uit haartjes
en smeerklieren die oorsmeer
produceren. Oorsmeer houdt de
huid en het trommelvlies soepel en
is waterafstotend. Het vangt ook stof
en vuil op en vormt een ongunstig
milieu.
4. Het trommelvlies: sluit de gehoorgang af en vormt de grens tussen het
uitwendig en middenoor. Wordt aan trillen gebracht door drukveranderingen in
de middenstof. Via trommelvlies worden trillingen in de middenstof
doorgegeven aan het middenoor.
Het middenoor ligt achter het trommelvlies en bestaat uit de trommelholte en de
gehoorbeentjes.
De trommelholte is een met lucht
gevulde holte in het rotsbeen van
de schedel. Via de buis van
Eustachius staat het in verbinding
met de keelholte. Normaal is die
buis dicht maar bij geuwen of
slikken gaat de buis even open.
In het trommelvlies ligt een keten
van drie gehoorbeentjes:
1. De hamer
2. Het aambeeld
3. De stijgbeugel
De bovenste opening die met een vlies wordt
afgedekt is het ovaal venster en de onderste
opening is het rond venster.
De functie van het middenoor:
versterken en geleiden van geluidstrillingen
2.1
Vb geluidsbronnen: box, stem, instrument, fluitje, belsignaal
Geluidsbronnen trillen ritmisch
Die trilling veroorzaakt in lucht, een vloeistof of een vaste staf is de middenstof
Er ontstaan drukveranderingen in de middenstof als de deeltjes rondom de
geluidsbron gaan meetrillen en worden samengedrukt.
Het afwisselen van drukveranderingen is een geluidsgolf. Geluid is een fysische
trilling, omdat deeltjes beginnen trillen door botsing met andere deeltjes.
Hoe hoog of laag de toon van het geluid is de toonhoogte en wordt bepaald door het
aantal trillingen per seconde. Dit is frequentie en wordt uitgedrukt in Hertz (Hz).
Hoe groter de frequentie hoe groter de toon. Mensen horen geluiden van 20hz tot
20000hz, geluiden hoger als 20000hz horen we niet en is ultrasone geluiden. En
lager als 20hz horen we ook niet en dit zijn infrasone geluiden.
Geluidssterkte is de uitwijking van de trilling. We drukken geluidssterkte uit in decibel
(db). Het zachtste geluid dat we kunnen waarnemen is de gehoordrempel.
2.2
Uitwendig zie je alleen de oorschelp. Het eigenlijke
gehoororgaan met geluidsreceptoren ligt beschermd in
het rotsbeen. Het kleine gaatje in het rotsbeen is de
opening van de gehoorgang.
In het gehoorzintuig 3 delen:
1. Het uitwendig oor
2. Het middenoor
3. Het inwendig oor
De geluidsreceptoren die de geluidsprikkels
waarnemen, liggen beschermd in het inwendig
oor.
, 1. Oorschelp: vangt geluiden op en
geleidt ze naar de gehoorgang.
2. Kraakbeen: zit in oorschelp
3. Gehoorgang: geleid de
geluidsgolven naar het trommelvlies.
De vorm en lengte van het zorgt
voor een versterking van
toonhoogtes. Het bestaat uit haartjes
en smeerklieren die oorsmeer
produceren. Oorsmeer houdt de
huid en het trommelvlies soepel en
is waterafstotend. Het vangt ook stof
en vuil op en vormt een ongunstig
milieu.
4. Het trommelvlies: sluit de gehoorgang af en vormt de grens tussen het
uitwendig en middenoor. Wordt aan trillen gebracht door drukveranderingen in
de middenstof. Via trommelvlies worden trillingen in de middenstof
doorgegeven aan het middenoor.
Het middenoor ligt achter het trommelvlies en bestaat uit de trommelholte en de
gehoorbeentjes.
De trommelholte is een met lucht
gevulde holte in het rotsbeen van
de schedel. Via de buis van
Eustachius staat het in verbinding
met de keelholte. Normaal is die
buis dicht maar bij geuwen of
slikken gaat de buis even open.
In het trommelvlies ligt een keten
van drie gehoorbeentjes:
1. De hamer
2. Het aambeeld
3. De stijgbeugel
De bovenste opening die met een vlies wordt
afgedekt is het ovaal venster en de onderste
opening is het rond venster.
De functie van het middenoor:
versterken en geleiden van geluidstrillingen