Week 1 inleiding strafrecht en het rechterlijke beslissing schema
1. De student kan met behulp van de wet uitleggen of een delict valt onder een misdrijf of
overtreding en waarom dit onderscheid van belang is voor het strafrecht.
Formeel strafrecht: Wat zijn de bevoegdheden van en de regels voor de verschillende organen (OM,
rechters, politie, verdachte enz)?
Materieel strafrecht: wat is strafbaar en welke personen zijn hiervoor strafbaar?
Onderscheid misdrijven en overtredingen:
Misdrijven:
Zwaardere feiten
Poging/ voorbereiding wel strafbaar
Medeplichtigheid is wel strafbaar
Voorlopige hechtenis mogelijk
Wel een gevangenisstraf
Berechting door de rechtbank
Overtredingen:
Lichte feiten
Poging/ voorbereiding is niet strafbaar
Medeplichtigheid is niet strafbaar
Geen voorlopige hechtenis
Geen gevangenisstraf (wel hechtenis
Berechting door kantonrechter
Boek 1 Sr: 1-91 algemene bepalingen
Boek 2 Sr: 92-421 misdrijven
Boek 3 Sr 424-479 overtredingen
Bijzondere wetten: Artt. 2 WED, 55 WWM, 13 Opw, 178 WvW etc.
2. De student kan met behulp van de wet de belangrijkste procesdeelnemers uit het
strafprocesrecht en diens rechten en plichten opnoemen.
Drie fasen in het strafrecht:
1. Opsporing ZOEK
2. Vervolging ONDERZOEK
3. Terechtzitting BEZOEK
Procesdeelnemers
1. Verdachte, art. 27 Sv
2. Opsporingsambtenaar, artt. 127 jo 141 Sv
3. (Hulp)Officier van Justitie, artt. 146a jo 148 Sv
4. Rechter-Commissaris
5. Rechter
6. Raadsman
7. Getuigen
8. Deskundigen
9. Slachtoffer
1
, 10. Openbaar Ministerie
3. De student kan in een gegeven casus aangeven of sprake is van een verdachte krachtens
artikel 27 Sv.
Art. 27 lid 1 Sv.
Rg: als verdachte aangemerkt (voordat de vervolging is aangevangen)
Rv1a: (er zijn) feiten
Rv1b: (er zijn) omstandigheden
Rv2: (er is een) redelijk vermoeden van schuld
Rv3: (dat er) een strafbaar feit (is gepleegd)
(Rv4: een persoon)
(Rv5: vervolging is nog niet aangevangen)
Rv1a: (er zijn) feiten man, baard, tasje, schoenen en spijkerbroek
Rv1b: (er zijn) omstandigheden in de buurt van de AH
Rv2: (er is een) redelijk vermoeden van schuld ?
Rv3: (dat er) een strafbaar feit (is gepleegd) Bedreiging met zwaar lichamelijk letsel / de dood
De man is niet/ wel aan te merken als een verdachte in de zin van art. 27 lid 1 Sv.
4. De student kan de acht vragen van het rechterlijke beslissingsmodel van art. 348 en 350 Sv
toepassen op een casus en de bijbehorende uitspraken van de rechter voorspellen.
1. Zoek art. 348 Sv (en 350 Sv) op
2. Het rechterlijke beslissingsmodel = het rijtje met 8 vragen in de artt. 348 en 350 Sv
3. De volgorde van de 8 vragen (voor- en hoofdvragen) staat vast!
4. Uitgangspunt voor alle partijen: OM, advocaat en rechter
5. Uitspraken staan in de artikelen 349, 351 en 352 Sv
Voorvragen, art. 348/349 Sv
1. Is de dagvaarding geldig?
Uitspraak rechter: Nietigheid van de dagvaarding
1. Is de rechter bevoegd?
Uitspraak rechter: Onbevoegdheid van de rechter
3. Is de OvJ ontvankelijk?
Uitspraak rechter: Niet-ontvankelijkheid van de OvJ
4. Is er reden tot schorsing der vervolging?
Uitspraak rechter: Schorsing van de vervolging
Hoofdvragen, art. 350/351/352 Sv
5. Kan de tenlastelegging bewezen worden?
Nee Vrijspraak
6. Levert het bewezen verklaarde een strafbaar feit op?
Nee OVAR wegens niet strafbaarheid van het feit
7. Is de verdachte strafbaar?
Nee OVAR wegens niet strafbaarheid van de dader
8. Welke straf of maatregel moet er worden opgelegd?
Veroordeling, art. 351 Sv
2