Verschuiving van de
vraagcurve
1. Inkomensdaling
De oorspronkelijke zwarte lijnen geven de situatie weer bij een inkomen van 150 EUR en bij een prijs
van een liedje van respectievelijk 1 en 1,25 EUR.
Indien het inkomen geen 150 EUR meer is maar 100 EUR, dan ontstaat er een nieuwe budgetlijn.
Voor het budget van 100 EUR kunnen wij 50 pintjes kopen (aan 2 EUR) = punt 1 van de nieuwe
budgetlijn B3.
Voor het budget van 100 EUR kunnen wij 80 liedjes kopen (aan 1,25 EUR) = punt 2 van de nieuwe
budgetlijn B3.
Indien we steeds 25 pintjes willen kopen (aan 2 EUR), hebben wij nog 50 EUR over om aan liedjes te
besteden.
Het nieuwe punt op de budgetlijn B3 wordt C3 (indien we steeds 25 pintjes willen, kunnen we met
het budget van 100 EUR nog 40 liedjes kopen).
Er ontstaat een nieuw punt C3: bij een daling van het inkomen zullen er van een bepaald goed met
een gelijkblijvende prijs minder stuks verkocht worden.
Indien opnieuw de prijs van de liedjes zou dalen (van
1,25 EUR naar 1 EUR) en deze keer bij een
gelijkblijvend inkomen van 100 EUR, dan zal er
opnieuw een verschuiving op de vraagcurve
Verschuiving van de plaatsvinden. Bij een lagere prijs van 1 EUR kan men
immers nu meer stukjes aankopen (zie punt C4 op de
vraagcurve nieuwe vraagcurve).
Prijs auto’s daalt -> Q auto én Q
benzine stijgen -> Vraagcurve
verschuift naar rechts
vraagcurve
1. Inkomensdaling
De oorspronkelijke zwarte lijnen geven de situatie weer bij een inkomen van 150 EUR en bij een prijs
van een liedje van respectievelijk 1 en 1,25 EUR.
Indien het inkomen geen 150 EUR meer is maar 100 EUR, dan ontstaat er een nieuwe budgetlijn.
Voor het budget van 100 EUR kunnen wij 50 pintjes kopen (aan 2 EUR) = punt 1 van de nieuwe
budgetlijn B3.
Voor het budget van 100 EUR kunnen wij 80 liedjes kopen (aan 1,25 EUR) = punt 2 van de nieuwe
budgetlijn B3.
Indien we steeds 25 pintjes willen kopen (aan 2 EUR), hebben wij nog 50 EUR over om aan liedjes te
besteden.
Het nieuwe punt op de budgetlijn B3 wordt C3 (indien we steeds 25 pintjes willen, kunnen we met
het budget van 100 EUR nog 40 liedjes kopen).
Er ontstaat een nieuw punt C3: bij een daling van het inkomen zullen er van een bepaald goed met
een gelijkblijvende prijs minder stuks verkocht worden.
Indien opnieuw de prijs van de liedjes zou dalen (van
1,25 EUR naar 1 EUR) en deze keer bij een
gelijkblijvend inkomen van 100 EUR, dan zal er
opnieuw een verschuiving op de vraagcurve
Verschuiving van de plaatsvinden. Bij een lagere prijs van 1 EUR kan men
immers nu meer stukjes aankopen (zie punt C4 op de
vraagcurve nieuwe vraagcurve).
Prijs auto’s daalt -> Q auto én Q
benzine stijgen -> Vraagcurve
verschuift naar rechts