donderdag 28 april 2016
17:28
SLA Second Language Acquisition (verwerving)
Input Verbale en non-verbale Engels informatie
Comprehensible imput Begrijpelijke input
Approach Benadering/methode om taal te leren
Underpinning/underline Onderbouwende theorie
theory
ALM Audio- Linguale methode
Formatieve assessment Assessments om instructies beter te plannen en het verbeteren van het
leren bij leerlingen
Summative assessment (Samenvattende assessment) Assessments op de eindpresentaties te
bepalen, om te kijken of de leerlingen de einddoelen hebben behaald
Kenmerken communicative language teaching:
1. Huis-, tuin- en keukenonderwerpen
2. Authentieke input
3. Voorkennis activeren
4. Positivieit
5. Situationeel
6. Teacher supports
Leertheorieën:
1. Behaviorisme
a. Imitation
b. Reinforcement
c. Habits
2. Cognitivisme
3. Constructivisme
Argumenten voor het gebruik van classroom language:
1. Taalaanbod:
Door veel naar een vreemde taal te luisteren, verwerven leerlingen woorden en structuren
zonder daar extra moeite voor te hoeven doen (incidenteel leren). Daar komt nog bij dat tien-
tot twaalfjarigen veeleer taalverwervers zijn dan taalleerders, zodat zij optimaal kunnen
profiteren van een groot aanbod van informele taal. Onderzoek heeft aangetoond dat met
name de luistervaardigheid van basisschoolleerlingen hoog is. Op een bepaald moment zullen
de leerlingen de verworven taal ook willen gaan gebruiken.
Classroom language is tevens een noodzakelijke aanvulling op het taalaanbod uit de methodes.
Ook voor meertalige kinderen is het van belang zoveel mogelijk eentalig te werken.
, 2. Realistische taalsituatie:
Met het gebruik van classroom language wordt er een realistische taalsituatie gecreëerd. De
klas ís een taalsituatie, met een setting (de klas), rollen (leerkracht, leerlingen) en een
onderwerp (een taal leren). Leerlingen zien daardoor dat ze Engels ook daadwerkelijk kunnen
gebruiken als communicatiemiddel, wat zeer motiverend werkt.
3. Het persoonlijk aspect:
Voor het eigenlijke leren van de taal maken we meestal gebruik van luistermateriaal. Het
nadeel hiervan is dat we de persoon/personen naar wie we luisteren niet kunnen zien. In het
werkelijke leven maken we gebruik van buitentalige informatie, als mimiek, liplezen en
gebaren. Deze authentieke luistersituatie kunnen we in de les alleen scheppen als we zelf veel
Engels spreken.
4. Variatie in tekstsoorten:
Door instructie in het Engels te geven, dragen we bij aan de wenselijke variatie in tekstsoorten.
Leerlingen moeten niet alleen modeldialoogjes kunnen begrijpen, maar als voorbereiding op
de werkelijkheid ook mededelingen en instructies. De inhoudelijke focus van de instructies
prikkelt de leerling om de voor hem belangrijke boodschap te begrijpen.
Hoe classroom language te gebruiken:
Begrijpelijk taalaanbod: rustig tempo, duidelijke articulatie, gebruik van korte maar
grammaticaal juiste zinnen en eenvoudige taal. Geen onnodig moeilijke woorden, maar wel
uitdagend.
Classroom language moet ondersteund worden met gebarentaal, dus handelingen. Probeer
een onbekend woord eerst te omschrijven in het Engels. Leerlingen onthouden woorden die zij
zelf hebben afgeleid uit de context beter dan woorden die zij uit het hoofd hebben moeten
leren.
Elementen taalleerproces:
1. Voorkennis (introductiefase vierfasenmodel)
2. Input geven (inputfase vierfasenmodel)
- Input begrijpelijk
- Input aansluiten bij kennisniveau en talige kennis leerlingen (i+1)
- Meerdere zintuigen
3. Begrip stimuleren (inputfase vierfasenmodel)
- Aan de slag met geboden input
4. Output stimuleren (oefenfase en transferfase vierfasenmodel)
- Gesproken en geschreven
- Veel in tweetallen of kleine groepjes
- Veilige leeromgeving
5. Beoordelen/feedback
- Op vakinhoud en taal
- Ontwikkelingsgerichte feedback
- Gedifferentieerde feedback