Zouten, namen en formules
Zouten bestaan uit een niet-metaal en een metaal. Om te kijken hoe
zouten vormen moeten we naar het atoommodel van bohr kijken en naar
de octetregel. Atomen streven volgens de octetregel naar een volle
buitenste schil. In het periodiek systeem kunnen we de
elektronenconfiguratie zien: natrium heeft een elektronenconfiguratie
van 2,8,1, chloor heeft een elektronenconfiguratie van 2,8,7. Als deze
dus bij elkaar gaan wil natrium een elektron afstaan en chloor er eentje
bij. Dan ontstaat een Na⁺ en Cl⁻, het zout natriumchloride.
De binding tussen deze atomen is erg sterk, door de negatieve en
positieve binding ontstaat er een ionbinding. In het ionrooster zitten de
moleculen dan regelmatig gerangschikt. Deze binding is over het
algemeen sterker dan een vanderwaalsbinding of waterstofbrug en
daardoor is het kook en smeltpunt van zouten meestal hoger. Het is wel
erg afhankelijk van de soort ionen die in het zout voorkomen.
Metaalatomen zijn als ion altijd positief. Een voorbeeld, een
cesiumatoom, die is Cs⁺. Ionen die uit één atoomsoort bestaan noem je
enkelvoudige ionen. De volgende enkelvoudige ionen van metalen zijn
handig om te leren voor de toets, je kunt altijd in binas tabel 40A
, kijken(bij ionlading en dan het kleine getalletje) of je kunt hem afleiden
via het periodiek systeem(dit gaat niet bij grotere ionen zoals uraan, dan
is het wel aan te raden om te leren of in 40A te kijken). Maar als je deze
leert gaat het veel sneller:
Soms kan je dus zien dat je een tin(II)ion en een tin(IV)ion hebt. Dit zijn
dus twee verschillende ionen. Je kunt daaruit gelijk afleiden wat het is
want het getal geeft de lading aan.
De volgende niet-metalen kunnen dus ook in zouten voorkomen, bijna
altijd hebben deze ionen een negatieve lading. Deze kun je best goed
volgens het periodiek systeem afleiden:
Als in een ion twee of meer verschillende atomen voorkomen dan
noemen we deze ionen een samengestelde ion. Deze kunnen zowel
positief als negatief zijn: