Samenvatting systeemtheorieën
Halverwege de twintigste eeuw passen hulpverleners in Amerika voor het eerst gezinstherapie toe.
Het denkkader v.d. psychoanalyse bleek ontoereikend om de wetmatigheden uit te drukken die men
in de gezinnen meende waar te nemen.
We kennen een aantal systeemtheorieën, enkele daarvan zijn:
- De Algemene Systeemtheorie van Von Bertalanffy: wordt als basis v.h. systeemtheoretisch denken
beschouwd.
- Structurele therapie van Minuchin en anderen: Binnen deze theorie staat de wijze waarop het
gezin georganiseerd is centraal.
- Strategische of communicatietheorie v. o.a. Haley en Watzlawick: Zij benaderen vooral de
wetmatigheden in de communicatie tussen mensen.
- Intergenerationele of Contextuele systeemtheorie v. Boszormenyi-Nagy: Hij stelt met name dat de
relaties tussen familieleden over de verschillende generaties moeten worden betrokken in de
analyse en behandeling.
Met de basiskennis v.d. 4 theoretische stromingen heeft een social worker voldoende
systeemtheoretische bagage in zijn rugzak om de eerste stappen in de systeemgerichte aanpak te
zetten.
Lineair denken = oorzaak-gevolg denken
Reductionistisch denkmodel = een probleem kan beter begrepen worden door het zo klein mogelijk
te maken.
1. Algemene systeemtheorie.
In 1928 ontwikkelde Ludwig von Bertalanffy een aantal systeemtheoretische concepten. Deze
concepten worden gezien als metatheorie: ze hebben niet meteen betrekking op één bepaald
wetenschapsgebied maar voor vele wetenschapsgebieden hanteerbaar is. Na WO II kwam de naam
Algemene systeemtheorie. In het begin was het denken gericht op input / output v.e. systeem.
Uiteindelijk kwam er aandacht voor de througput: de informatie die v.d. omgeving komt, wordt niet
enkel verwerkt binnen een systeem, maar het systeem geeft ook interpretaties aan de informatie.
In de algemene systeemtheorie worden levende organismen, systemen gezien als:
- bestaande uit verschillende delen die onderling samenhangen en elkaar wederzijds beïnvloeden,
niet lineair maar circulair.
- Zichzelf handhavende eenheden die in voortdurende wisselwerking staan met hun omgeving.
Sprake v.e. input, throughput en output. Dit is de basis v. zijn open systeemtheorie.
- Eenheden die het vermogen hebben zichzelf te handhaven. Alle gedragingen v.d. eenheden hebben
een functie binnen het geheel.
- Eenheden met het vermogen zichzelf te besturen en zichzelf te reproduceren.
Een sterk punt v.d. theorie is het bewustzijn v.d. circulaire processen. Veranderingen bij een eenheid
v.e. groep zullen gevolg worden door veranderingen bij de andere eenheden, er is sprake v.
wederzijdse beïnvloeding. De zogenaamde subsystemen kunnen niet als losse individuele
componenten worden beschouwd.
Het circulair denken kan echter leiden tot verkeerde conclusies. De veronderstelling dat het gedrag
v.h. ene gezinslid tegelijkertijd oorzaak en gevolg is v.h. gedrag v. andere gezinsleden kan dus
verkeerde conclusies teweeg brengen.
Halverwege de twintigste eeuw passen hulpverleners in Amerika voor het eerst gezinstherapie toe.
Het denkkader v.d. psychoanalyse bleek ontoereikend om de wetmatigheden uit te drukken die men
in de gezinnen meende waar te nemen.
We kennen een aantal systeemtheorieën, enkele daarvan zijn:
- De Algemene Systeemtheorie van Von Bertalanffy: wordt als basis v.h. systeemtheoretisch denken
beschouwd.
- Structurele therapie van Minuchin en anderen: Binnen deze theorie staat de wijze waarop het
gezin georganiseerd is centraal.
- Strategische of communicatietheorie v. o.a. Haley en Watzlawick: Zij benaderen vooral de
wetmatigheden in de communicatie tussen mensen.
- Intergenerationele of Contextuele systeemtheorie v. Boszormenyi-Nagy: Hij stelt met name dat de
relaties tussen familieleden over de verschillende generaties moeten worden betrokken in de
analyse en behandeling.
Met de basiskennis v.d. 4 theoretische stromingen heeft een social worker voldoende
systeemtheoretische bagage in zijn rugzak om de eerste stappen in de systeemgerichte aanpak te
zetten.
Lineair denken = oorzaak-gevolg denken
Reductionistisch denkmodel = een probleem kan beter begrepen worden door het zo klein mogelijk
te maken.
1. Algemene systeemtheorie.
In 1928 ontwikkelde Ludwig von Bertalanffy een aantal systeemtheoretische concepten. Deze
concepten worden gezien als metatheorie: ze hebben niet meteen betrekking op één bepaald
wetenschapsgebied maar voor vele wetenschapsgebieden hanteerbaar is. Na WO II kwam de naam
Algemene systeemtheorie. In het begin was het denken gericht op input / output v.e. systeem.
Uiteindelijk kwam er aandacht voor de througput: de informatie die v.d. omgeving komt, wordt niet
enkel verwerkt binnen een systeem, maar het systeem geeft ook interpretaties aan de informatie.
In de algemene systeemtheorie worden levende organismen, systemen gezien als:
- bestaande uit verschillende delen die onderling samenhangen en elkaar wederzijds beïnvloeden,
niet lineair maar circulair.
- Zichzelf handhavende eenheden die in voortdurende wisselwerking staan met hun omgeving.
Sprake v.e. input, throughput en output. Dit is de basis v. zijn open systeemtheorie.
- Eenheden die het vermogen hebben zichzelf te handhaven. Alle gedragingen v.d. eenheden hebben
een functie binnen het geheel.
- Eenheden met het vermogen zichzelf te besturen en zichzelf te reproduceren.
Een sterk punt v.d. theorie is het bewustzijn v.d. circulaire processen. Veranderingen bij een eenheid
v.e. groep zullen gevolg worden door veranderingen bij de andere eenheden, er is sprake v.
wederzijdse beïnvloeding. De zogenaamde subsystemen kunnen niet als losse individuele
componenten worden beschouwd.
Het circulair denken kan echter leiden tot verkeerde conclusies. De veronderstelling dat het gedrag
v.h. ene gezinslid tegelijkertijd oorzaak en gevolg is v.h. gedrag v. andere gezinsleden kan dus
verkeerde conclusies teweeg brengen.