SAMENVATTING
Open boek toets thema 2
Onderwijskunde
In groep 1/2 zitten we vaak in de kring. In deze kring bespreken we het dagritme, dat vaak
bestaat uit inlooptijd, kringactiviteiten, speelwerktijd en buitenspelen/gym. De kring is voor
ontspanning en rust, om gesprekken te voeren en instructie te geven.
Tijdens de speelwerktijd is er sprake van intrinsieke en extrinsieke motivatie. Intrinsieke
motivatie is motivatie die uit zichzelf in beweging komt, bijvoorbeeld ambities of behoeftes.
Je doet iets omdat je het zelf wil, er zelf belang bij hebt. Extrinsieke motivatie is motivatie die
door externe prikkels in beweging komt, bijvoorbeeld goede resultaten of opgelegde doelen.
Je doet iets omdat je er iets voor terugkrijgt, of omdat er iets van je verwacht wordt.
Kenmerken van kleuters
Emotionele beleving
Egocentrisme
Hang naar gewoontes en routines
Concentratievermogen
Behoefte aan handelen
Magisch denken
Geen scherp onderscheid tussen fantasie – werkelijkheid
Ontwikkelingsgebieden
Lichamelijke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Persoonlijkheidsontwikkeling
Sociale ontwikkeling
Emotionele ontwikkeling
Ontwikkeling van het zelfbeeld
Cognitieve ontwikkeling
Jean Piaget
Sensomotorische fase 0-2 jaar
Pre-operationele fase 2-6 jaar
Concreet-operationele fase 6-11 jaar
Formeel operationele fase v.a. 11 jaar
Pre-operationele fase: logica nog geen conservatiebegrip (= behoud van hoeveelheid).
Logica nog geen reversibiliteit (= proces in gedachten terug kunnen draaien). Groei
symboolgebruik en taalgebruik. Denken gekenmerkt door egocentrisme en centratie (= zich
slechts op 1 ding tegelijk kunnen richten).
Cognitieve ontwikkeling
,Lev Vygotsky: basisprincipes
1. Kennisverwerving
2. Sociaal-culturele context
3. Zone van de naaste ontwikkeling
4. Taal-/denkontwikkeling
De cognitieve ontwikkeling van kinderen kun je stimuleren door ze veel concrete ervaringen
op te laten doen, door betekenisvolle activiteiten aan te bieden/te laten ervaren, door
spelenderwijs les te geven en door ontwikkelingsgebieden in samenhang aan bod te laten
komen.
Aansluiten bij de ontwikkeling van jonge kinderen jonge kinderen leren het best als ze:
Veel concrete ervaringen op doen
Betrokken bezig kunnen zijn
De activiteit als betekenisvol ervaren
Kunnen spelen
En als ontwikkelingsgebieden in samenhang aan bod komen
Persoonlijkheidsontwikkeling
1. Sociale ontwikkeling
Modeling (leren door imitatie)
Theory of mind verwoorden wat er in de gedachten van een ander gebeurt
Vriendschappen
2. Emotionele ontwikkeling
Gehechtheid
Zelfregulatie
Initiatief versus schuldgevoel
3. Ontwikkeling van het zelfbeeld
Van zelfbesef naar zelfbeeld
Fysieke kenmerken
Overschatting
De persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen kun je stimuleren door voorbeeldgedrag te
tonen en te complimenteren (modeling), door te spelen en samen te werken, door
gevoelens van verschillende partijen te verwoorden (Theroy of mind) en door te zorgen voor
een talige omgeving.
Didactisch handelen is gericht op het stimuleren en optimaliseren van leer- en
ontwikkelingsprocessen van kinderen.
Pedagogisch handelen is gericht op het positief stimuleren van de persoonlijkheidsvorming.
Aspecten van didactisch handelen
Geïntegreerd handelen (holistisch)
Didactische houding
Doelbewust handelen
Expliciet of impliciet handelen
, Handelen in de zone van de naaste ontwikkeling
Observeren
Geïntegreerd handelen meerdere leer- en ontwikkelingsgebieden tegelijk, betekenisvol!
Didactische houding van leerkrachten die bij (jonge) kinderen succesvol is:
Nieuwsgierigheid
Cognitieve empathie
Geduld
Flexibiliteit (de mooiste leermomenten zijn niet altijd te plannen)
Doelbewust handelen
Pedagogische doelen
Didactische doelen
Brede persoonsvormende ontwikkelingsdoelen
Specifieke leerdoelen (kennis en vaardigheden)
Impliciet handelen: de leerdoelen komen aan bod in een betekenisvolle context.
Aansluiten bij de activiteit waar de kinderen mee bezig zijn, zo onthouden de kinderen
het beter en begrijpen ze het, tijdens het werken vragen stellen, aansluiten bij de kinderen in
de hoeken.
Expliciet handelen: iets aanbieden zonder dat de kinderen het zelf hebben gekozen. Je sluit
niet aan bij de kinderen.
Het los aanbieden van een doel, in de kring zitten en zeggen we gaan dit nu doen.
Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
Vanuit de beginsituatie (= de actuele ontwikkeling) probeert de leerkracht met
zijn/haar didactische handelen haalbare doelen, die in de naaste ontwikkeling liggen,
te bereiken.
Je denkt met de kinderen mee, brengt ze op ideeën, doet voorstellen, reikt ze
materialen aan, etc.
Observeren objectief, handelend of gericht
Observeren en systematisch handelen
Signaleren onderzoeksvraag gericht observeren plan van aanpak evaluatie
Het creëren van een veilig pedagogisch klimaat
1. Basisbehoefte
Relatie (band tussen juf en kind of kinderen onder elkaar)
Competentie (het kind weet dat hij het kan)
Autonomie (het kind kan het zelf)
Afspraken, regels en routines
Nodig en realistisch
Open boek toets thema 2
Onderwijskunde
In groep 1/2 zitten we vaak in de kring. In deze kring bespreken we het dagritme, dat vaak
bestaat uit inlooptijd, kringactiviteiten, speelwerktijd en buitenspelen/gym. De kring is voor
ontspanning en rust, om gesprekken te voeren en instructie te geven.
Tijdens de speelwerktijd is er sprake van intrinsieke en extrinsieke motivatie. Intrinsieke
motivatie is motivatie die uit zichzelf in beweging komt, bijvoorbeeld ambities of behoeftes.
Je doet iets omdat je het zelf wil, er zelf belang bij hebt. Extrinsieke motivatie is motivatie die
door externe prikkels in beweging komt, bijvoorbeeld goede resultaten of opgelegde doelen.
Je doet iets omdat je er iets voor terugkrijgt, of omdat er iets van je verwacht wordt.
Kenmerken van kleuters
Emotionele beleving
Egocentrisme
Hang naar gewoontes en routines
Concentratievermogen
Behoefte aan handelen
Magisch denken
Geen scherp onderscheid tussen fantasie – werkelijkheid
Ontwikkelingsgebieden
Lichamelijke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Persoonlijkheidsontwikkeling
Sociale ontwikkeling
Emotionele ontwikkeling
Ontwikkeling van het zelfbeeld
Cognitieve ontwikkeling
Jean Piaget
Sensomotorische fase 0-2 jaar
Pre-operationele fase 2-6 jaar
Concreet-operationele fase 6-11 jaar
Formeel operationele fase v.a. 11 jaar
Pre-operationele fase: logica nog geen conservatiebegrip (= behoud van hoeveelheid).
Logica nog geen reversibiliteit (= proces in gedachten terug kunnen draaien). Groei
symboolgebruik en taalgebruik. Denken gekenmerkt door egocentrisme en centratie (= zich
slechts op 1 ding tegelijk kunnen richten).
Cognitieve ontwikkeling
,Lev Vygotsky: basisprincipes
1. Kennisverwerving
2. Sociaal-culturele context
3. Zone van de naaste ontwikkeling
4. Taal-/denkontwikkeling
De cognitieve ontwikkeling van kinderen kun je stimuleren door ze veel concrete ervaringen
op te laten doen, door betekenisvolle activiteiten aan te bieden/te laten ervaren, door
spelenderwijs les te geven en door ontwikkelingsgebieden in samenhang aan bod te laten
komen.
Aansluiten bij de ontwikkeling van jonge kinderen jonge kinderen leren het best als ze:
Veel concrete ervaringen op doen
Betrokken bezig kunnen zijn
De activiteit als betekenisvol ervaren
Kunnen spelen
En als ontwikkelingsgebieden in samenhang aan bod komen
Persoonlijkheidsontwikkeling
1. Sociale ontwikkeling
Modeling (leren door imitatie)
Theory of mind verwoorden wat er in de gedachten van een ander gebeurt
Vriendschappen
2. Emotionele ontwikkeling
Gehechtheid
Zelfregulatie
Initiatief versus schuldgevoel
3. Ontwikkeling van het zelfbeeld
Van zelfbesef naar zelfbeeld
Fysieke kenmerken
Overschatting
De persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen kun je stimuleren door voorbeeldgedrag te
tonen en te complimenteren (modeling), door te spelen en samen te werken, door
gevoelens van verschillende partijen te verwoorden (Theroy of mind) en door te zorgen voor
een talige omgeving.
Didactisch handelen is gericht op het stimuleren en optimaliseren van leer- en
ontwikkelingsprocessen van kinderen.
Pedagogisch handelen is gericht op het positief stimuleren van de persoonlijkheidsvorming.
Aspecten van didactisch handelen
Geïntegreerd handelen (holistisch)
Didactische houding
Doelbewust handelen
Expliciet of impliciet handelen
, Handelen in de zone van de naaste ontwikkeling
Observeren
Geïntegreerd handelen meerdere leer- en ontwikkelingsgebieden tegelijk, betekenisvol!
Didactische houding van leerkrachten die bij (jonge) kinderen succesvol is:
Nieuwsgierigheid
Cognitieve empathie
Geduld
Flexibiliteit (de mooiste leermomenten zijn niet altijd te plannen)
Doelbewust handelen
Pedagogische doelen
Didactische doelen
Brede persoonsvormende ontwikkelingsdoelen
Specifieke leerdoelen (kennis en vaardigheden)
Impliciet handelen: de leerdoelen komen aan bod in een betekenisvolle context.
Aansluiten bij de activiteit waar de kinderen mee bezig zijn, zo onthouden de kinderen
het beter en begrijpen ze het, tijdens het werken vragen stellen, aansluiten bij de kinderen in
de hoeken.
Expliciet handelen: iets aanbieden zonder dat de kinderen het zelf hebben gekozen. Je sluit
niet aan bij de kinderen.
Het los aanbieden van een doel, in de kring zitten en zeggen we gaan dit nu doen.
Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky)
Vanuit de beginsituatie (= de actuele ontwikkeling) probeert de leerkracht met
zijn/haar didactische handelen haalbare doelen, die in de naaste ontwikkeling liggen,
te bereiken.
Je denkt met de kinderen mee, brengt ze op ideeën, doet voorstellen, reikt ze
materialen aan, etc.
Observeren objectief, handelend of gericht
Observeren en systematisch handelen
Signaleren onderzoeksvraag gericht observeren plan van aanpak evaluatie
Het creëren van een veilig pedagogisch klimaat
1. Basisbehoefte
Relatie (band tussen juf en kind of kinderen onder elkaar)
Competentie (het kind weet dat hij het kan)
Autonomie (het kind kan het zelf)
Afspraken, regels en routines
Nodig en realistisch