Hoofdstuk 10
Paragraaf 1
Nikkel en ijzer worden door magneten aangetrokken. De aarde is een grote magneet.
Polen = de plaatsen met de grootste krachtwerking bij een magneet.
De kant van het noorden, noordpool, rood gekleurd. Kant van het zuiden, zuidpool, wit
gekleurd. Magneet heeft altijd twee polen of meer, één pool bestaat niet.
- Gelijke polen stoten elkaar af
- Ongelijke polen trekken elkaar aan
Een magneet bestaat uit zeer kleine elementaire magneetjes. Elk ijzer- of nikkelatoom is een
klein magneetje, maar ze wijzen alle kanten op, daarom merk je niet dat deze magnetisch is,
maar de elementaire magneetjes richten zich als er en magneet in de buurt is.
Magnetische influentie = Het magnetisch maken van een ijzeren voorwerp dat van zichzelf
niet magnetisch is.
Staal magnetiseren gaat moeilijker, maar blijft wel lang magnetisch. Je kunt er een blijvende
of permanente magneet van maken.
Magneetveld = het gebied waar de magnetisch kracht werkt. Een kompasnaald laat de
richting van het magnetisch veld zien. Veldlijnen = lijnen met pijlen die aangeven in welke
richting en welke sterkte een magneetveld heeft. Veldlijnen lopen altijd weg van de
noordpool en naar de zuidpool toe. Bij de polen lopen de veldlijnen dicht bij elkaar, daar is
de magnetische kracht het grootst en het magneetveld het sterkst.
De aarde is een grote magneet, in het noorden ligt een magnetische zuidpool.
Paragraaf 2
Elektromagnetisme = het verband tussen magneten en elektriciteit.
B = sterkte van het magneetveld. Eenheid = tesla (T)
I = stroomsterkte. Eenheid = Ampère (A)
Bij een spoel versterken de windingen van een magneetveld elkaar en vormen een sterker
magneetveld.
Homogeen veld = de veldlijnen in de spoel lopen evenwijdig. Het magneetveld is overal even
sterk en gelijkgericht.
Elektromagneet = een spoel die magnetisch wordt doordat er stroom doorheen gaat. Je
kunt hem sterker maken door meer stroom door de spoel te sturen of een spoel met meer
windingen te nemen. Een stuk ijzer die magnetisch wordt gemaakt. Geen stroom, geen
beweging.
Soort stroomdraad stroom/magneetveld Rechterhandregel
, Rechte/ normale
stroomdraden
Stroomrichting en
elektronen in
omgekeerde richting.
Duim = stroomrichting
Vingers = richting magneetveld
Spoel
Zuid naar noord in de
spoel
Noor naar zuid
buitenom de spoel
Duim = Richting magneetveld
Vingers = stroomrichting
Paragraaf 3
Lorentzkrachten is de kracht die op de stroom werkt en ontstaat wanneer er een geladen
deeltje door een magneetveld beweegt. Lorentzkracht staat loodrecht op het magneetveld
en de stroom.
Geen lorentzkracht wanneer het magneetveld evenwijdig loopt aan de stroom.
FBI regel:
B = magneetveld = opgevangen met de handpalm = Tesla (T)
I = stroomrichting = vingers = Ampère (A)
F = Lorentzkracht = duim = Newton (N)
q = de lading van het deeltje in coulomb (C) BINAS T7
v = de snelheid in meter per seconde (m/s)
l = lengte; meter. Let op! Lengte dat zich in het magneetveld bevindt. Bij
een spoel is de lengte van de spoel x aantal windingen.
VB: lengte koperdraad berekenen:
l=N ∙ π ∙ d of l=N ∙ 2 π ∙r
Bij een oscilloscoop of beeldbuis wordt een beeld op een
scherm ‘getekend’ door en elektronenstraal. De lorentzkracht
zorgt voor bewegende elektronen. Elektronen worden
gebundeld tot een straal en worden versneld. Dan gaan ze