Hoofdstuk 1: Industriële organisatie
1.1 Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een statische en dynamische kijk op competitie.
De kijk van neoklassieke ondernemingstheorie is statisch. Hiermee in contrast is de dynamische kijk,
die zijn oorsprong vond in de geschriften van Schumpeter en economisten van de Austrian School.
Structuur-gedrag-prestatieparadigma
Hier wordt de basis gelegd voor de oorspronkelijke ontwikkeling van de industriële
organisatie als een aparte sub-discipline binnen de economie.
1.2 Statische en dynamische kijk op competitie
1.2.1 Statische kijk op competitie
De neoklassieke ondernemingstheorie bevat 4 theoretische markt structuren: perfecte competitie,
monopolistische competitie, oligopolie en monopolie.
Perfecte competitie heeft 6 belangrijke kenmerken:
1. Een groot aantal kopers en verkopers
2. Producenten en consumenten hebben perfecte kennis (ze weten wat ze doen)
3. Identieke producten die verkocht worden
4. Bedrijven zijn onafhankelijk van elkaar en doen aan winstmaximalisatie
5. Bedrijven zijn vrij om toe te treden en uit te treden
6. Bedrijven kunnen zoveel als ze willen verkopen aan de huidige marktprijs
Al de overlevende bedrijven in deze perfecte competitie moeten steeds zo efficiënt mogelijk, zolang
de technologie het toelaat, produceren.
Bij een monopolie is er maar één bedrijf. De monopolist kan de prijs en output zelf bepalen. Dit leidt
ertoe dat een monopolie gunstiger is voor een producent en slechter voor een consument.
Een natuurlijk monopolie ontstaat indien één onderneming de hele markt kan ‘bevoorraden’ tegen
een lagere kost dan dat meerdere ondernemingen dit kunnen. Dit kan het gevolg zijn van
technologie. Voorbeelden hiervan zijn de trein- of telefoonmaatschappijen.
De bepalende factor voor monopolie is de “Minimum Efficient Scale”: outputniveau dat de
gemiddelde kosten minimaliseert, relatief tot de vraag.
Monopolies kunnen ook voorkomen door het vormen van kartels (illegaal) of vanwege historische
antecedenten (een bedrijf dat voor het eerst de markt binnentreedt en de kosten om toe te treden
zijn tamelijk hoog en schrikken anderen ondernemingen af).
Bij monopolistische concurrentie zijn een groot aantal (monopolistische) ondernemingen aanwezig
en deze bevatten zowel prijsvormen als niet-prijsvormen van concurrentie.
Oligopolie bevat een klein aantal ondernemingen. Deze ondernemingen worden gekenmerkt door
hun samenhang. Vb.: als onderneming A zijn prijs/hoeveelheid aanpast, zal dit de winst van de
rivaliserende ondernemingen aantasten. Dit zal leiden tot aanpassing van de prijs/hoeveelheid van de
rivaliserende ondernemingen.
1