Hoofdstuk 7: Kosten en kostprijs
7.1 gelduitgaven en kosten
Kosten:
Om van kosten te kunnen spreken moet er sprake zijn van een opoffering van bezittingen.
Er wordt gesproken van een opoffering van bezittingen als een bezitting in waarde daalt. Een
afschrijving van een productiemachine is een voorbeeld van een kosten, maar de aanschaf van de
machine is een gelduitgaven omdat dan een bezit is, zodra de machine minder waard word zijn het
kosten.
De waarde waarvoor een bezit is aangekocht, noemen we de aanschafwaarde. De waarde van een
bezitting aan het einde van de levensduur noemen we restwaarde. De waarde van een bezitting op
een bepaald moment noemen we de boekwaarde.
Er zijn ook gelduitgaven die direct lijden tot kosten, zoals loonkosten en energiekosten. Vakantie geld
wordt per jaar in de maand juni door de onderneming betaald.
7.2 vaste en variabele kosten
Bedrijfsdrukte:
De omvang van de bedrijfsactiviteiten. Dit kan worden gemeten in aantal eenheden productie, omzet
en afzet.
Vaste kosten:
Vaste kosten zijn kosten waarbij het geldt dat de omvang ervan niet veranderd door een verandering
in bedrijfsdrukte. Deze kosten worden altijd gemaakt, ook al haal je de maximale capaciteit niet.
Vaste kosten worden ook wel constante kosten genoemd.
Variabele kosten:
De kosten stijgen of dalen door een toe- of afname van de bedrijfsdrukte. Als de kosten van
grondstoffen evenredig stijgen met de productieomvang is er sprake proportionele variabele kosten.