College literaire teksten, vroegmoderne tijd, week 2
Uit ‘Zoveel jeu en toch niet te lezen’
Saucijzenstructuur: episodische structuur, eindeloze aaneenrijging van wonderlijke
voorvallen, zijdelingse verhaallijnen, de lezer moet van goeden huize komen wil hij of zij de
draad niet kwijtraken.
Entrelacement: een groot aantal verhaallijnen gaat parallel lopen, soms kruisen ze elkaar,
soms komen ze weer bijeen. De dichter zou via de lengte van de verschillende verhaallijnen
het belang van elk van de personages aangeven. Belangrijkste doel: verdeling van het
omvangrijke stofcomplex in kleinere, hanteerbare eenheden.
Het is aannemelijk dat deze teksten vroeger in meerdere avonden voorgedragen
werden. Elke avond een episode.
De vereiste leeshouding voor een zeventiende-eeuwse roman is dan ook totaal
anders dan voor een moderne roman. Beetje bij beetje lezen, dat doen we nu nog
met poëzie en verhalen. Maar aan romans lijken we andere eisen te stellen. We zijn
het ontwend om een boek in kleine porties tot ons te nemen.
Hoe maken we de vroegmoderne teksten interessant?
o Eén optie is om de teksten terug te snoeien tot een spannend verhaal, ze zo
te bewerken dat er een spanningsboog ontstaat die de aandacht vasthoudt
van begin tot eind.
o De zeventiende-eeuwse structuur handhaven en daar een geijkt medium bij
kiezen. Een hoorspel zou kunnen, maar een soapvorm ligt gezien de
hoeveelheid actie meer voor de hand.
Vroegmoderne teksten lezen:
- Begrijpen Wat staat er en welke betekenis hebben de woorden (WNT)?
- Analyseren Welke structuur/ literaire mechanieken/ stijlkenmerken?
- Interpreteren Waarom staat dit er zo?
Literaire context: ‘de vroegmoderne roman’
Fictioneel narratief proza, zonder strikte genreregels (reisverhalen, scheepsjournalen,
novellen, antiek en middeleeuws verhalengoed, pseudo-biografieën): dunne grens tussen
feit en fictie, vaak met een avontuurlijke liefdesgeschiedenis.
Vier perioden: van idealisme naar realisme
- Tot 1640: heruitgaven van middeleeuwse ridder- en reisliteratuur (galante liefde en
heroïek)
- Tot 1670: Franse liefdesroman, commercialisering van literatuur (geleerd vermaak,
herderromans)
- Tot 1700: grote variatie, erotiek, de roman als spiegel van de samenleving
- Na 1700: de roman in de Verlichting (imaginaire reisverhalen, idealistische
samenlevingen bv. Robinson Crusoe, verheffing van de gewone man)
Uit ‘Zoveel jeu en toch niet te lezen’
Saucijzenstructuur: episodische structuur, eindeloze aaneenrijging van wonderlijke
voorvallen, zijdelingse verhaallijnen, de lezer moet van goeden huize komen wil hij of zij de
draad niet kwijtraken.
Entrelacement: een groot aantal verhaallijnen gaat parallel lopen, soms kruisen ze elkaar,
soms komen ze weer bijeen. De dichter zou via de lengte van de verschillende verhaallijnen
het belang van elk van de personages aangeven. Belangrijkste doel: verdeling van het
omvangrijke stofcomplex in kleinere, hanteerbare eenheden.
Het is aannemelijk dat deze teksten vroeger in meerdere avonden voorgedragen
werden. Elke avond een episode.
De vereiste leeshouding voor een zeventiende-eeuwse roman is dan ook totaal
anders dan voor een moderne roman. Beetje bij beetje lezen, dat doen we nu nog
met poëzie en verhalen. Maar aan romans lijken we andere eisen te stellen. We zijn
het ontwend om een boek in kleine porties tot ons te nemen.
Hoe maken we de vroegmoderne teksten interessant?
o Eén optie is om de teksten terug te snoeien tot een spannend verhaal, ze zo
te bewerken dat er een spanningsboog ontstaat die de aandacht vasthoudt
van begin tot eind.
o De zeventiende-eeuwse structuur handhaven en daar een geijkt medium bij
kiezen. Een hoorspel zou kunnen, maar een soapvorm ligt gezien de
hoeveelheid actie meer voor de hand.
Vroegmoderne teksten lezen:
- Begrijpen Wat staat er en welke betekenis hebben de woorden (WNT)?
- Analyseren Welke structuur/ literaire mechanieken/ stijlkenmerken?
- Interpreteren Waarom staat dit er zo?
Literaire context: ‘de vroegmoderne roman’
Fictioneel narratief proza, zonder strikte genreregels (reisverhalen, scheepsjournalen,
novellen, antiek en middeleeuws verhalengoed, pseudo-biografieën): dunne grens tussen
feit en fictie, vaak met een avontuurlijke liefdesgeschiedenis.
Vier perioden: van idealisme naar realisme
- Tot 1640: heruitgaven van middeleeuwse ridder- en reisliteratuur (galante liefde en
heroïek)
- Tot 1670: Franse liefdesroman, commercialisering van literatuur (geleerd vermaak,
herderromans)
- Tot 1700: grote variatie, erotiek, de roman als spiegel van de samenleving
- Na 1700: de roman in de Verlichting (imaginaire reisverhalen, idealistische
samenlevingen bv. Robinson Crusoe, verheffing van de gewone man)