Algemene leerdoelen betreffende wijkverpleging en chronisch zieken:
Zelfredzaamheid: het vermogen om handelingen uit het gewone leven zelfstandig te
kunnen uitvoeren.
Samenredzaamheid: het vermogen om handelingen uit het gewone leven zonder
professionele hulp te kunnen uitvoeren.
Zelfmanagment: het omgaan met de chronische aandoening dat deze optimaal
wordt ingepast in het leven.
Aangeven wat een chronische ziekte is en kenmerken van chronische ziekte.
In het algemeen worden chronische ziekten omschreven als irreversibele
aandoeningen zonder uitzicht op volledig herstel en met een relatief lange
ziekteduur. Een chronische ziekte onderscheidt zich verder door een langdurig
beroep op de zorg.
Afgemeten aan de aard van de ziekte en het ziektebeloop kunnen vier typen
chronische ziekten onderscheiden worden:
levensbedreigende ziekten als kanker en beroerte;
aandoeningen die tot periodiek terugkerende klachten leiden, zoals astma en
epilepsie;
aandoeningen die progressief verslechteren en invaliderend van aard zijn,
zoals reumatoïde artritis en chronisch hartfalen;
chronische psychische stoornissen.
Bij kinderen wordt een ziekte beschouwd als chronisch als:
de ziekte voorkomt bij kinderen tussen 0 en 18 jaar;
de diagnose gebaseerd is op medisch wetenschappelijke kennis en gesteld
kan worden met reproduceerbare en valide methoden of met instrumenten die
voldoen aan professionele standaarden;
de ziekte (nog) niet te genezen is of - voor psychische stoornissen - niet
behandelbaar is;
de ziekte langer duurt dan drie maanden, of vaker dan drie keer voorgekomen
is in het afgelopen jaar en vermoedelijk weer zal voorkomen.
Wat comorbiditeit is en wat dubbele vergrijzing is.