Inleiding in de pedagogiek
Week 1
Pedagogiek: een integratieve interventie-wetenschap gericht op het belang van het kind.
Integratieve wetenschap: verschillende visies samenbrengen in een meer omvattend perspectief.
Verticale groep: kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar (kind groeit mee).
Horizontale groep: kinderen van dezelfde leeftijd.
Verschillende perspectieven van onderzoeksmethoden:
- Empirisch-analytische pedagogiek
- Normatieve pedagogiek/ ethische reflectie
- Historische pedagogiek
Empirisch-analytische pedagogiek: onderzoek naar concrete praktijken (in het veld).
Op systematisch wijze worden pedagogische handelingen, methoden en therapieën gevolgd of getest.
Intersubjectieve navolgbaarheid (replicatie): het hele proces wordt zo goed mogelijk vastgelegd, zodat het door
anderen nagedaan kan worden.
Er wordt gemeten door: gedrag (rekentaak), survey (vragenlijst), observatie, archief (dossiers), neurobiologisch
(hersengolven), fysiologische (stress-hormoon).
- Kwantitatief: meting die je kan uitdrukken in cijfers (hoe vaak komt iets voor?).
- Kwalitatief: beschrijving van overtuigingen en observaties van mensen (hoe ervaren ze dit?).
Het wetenschappelijk proces/ empirische cyclus
Inductie: afleiden van een algemeen idee uit enkele observaties.
Deductie: afleiden van een toetsbare voorspelling.
Voorbeeld wetenschappelijk proces:
Normatieve pedagogiek/ ethische reflectie: analyse van waarden en normen.
- Normatieve argumenten: wat is goed of slecht op basis van wat algemeen aanvaardbaar is (normen
van een samenleving) (hierbij spreek je niet uit of die norm zelf nu acceptabel is of niet).
- Ethische argumenten: stelsel van argumenten over goed of slecht voor anderen en persoon zelf
(beredeneren waarom iets moreel verantwoord/verplicht is).
- Empirische evidentie: resultaten van onderzoek/observaties die een bewering ondersteunen.
, Multisysteemvraag: vragen die je moet beantwoorden vanuit empirisch-analytisch perspectief en normatieve
pedagogiek.
Voorbeeld: wordt fysiek straffen algemeen geaccepteerd in Tanzania?
- Normatief: analyse van normen en waarden in de opvoeding die in Tanzania gehanteerd worden (door
verschillende groepen in de samenleving).
- Empirische evidentie: Hoeveel wordt er gestraft door wie? Hoe ervaren kinderen dit? Welke invloed
heeft het op de ontwikkeling?
Historische pedagogiek: historische analyse van pedagogische vraagstukken.
Artikel 3 lid 1: de belangen van het kind moeten een eerste overweging zijn bij alle besluiten waarmee het kind
te maken kan krijgen.
Belang van het kind wordt bepaald door:
1. Uitgangspunten en veronderstellingen (rechten van het kind)
2. Argumenten (empirisch/normatief)
BIC-model (Best Interest of the Child): opvoedingscondities waaronder een kind een goede kindertijd beleeft en
ontwikkeling gewaarborgd is (gebaseerd op beschermende en risicofactoren).
In de praktijk: vragenlijst waarmee opvoedingsomgeving van een kind kan worden bestudeerd en kan worden
vergeleken met een situatie bij een specifiek besluit.
Gebaseerd op een theorie over opvoedingsstijlen (autoritaire, autoritatieve, permissieve en aissez-faire stijl).
14 opvoedingscondities van het BIC-model:
Week 1
Pedagogiek: een integratieve interventie-wetenschap gericht op het belang van het kind.
Integratieve wetenschap: verschillende visies samenbrengen in een meer omvattend perspectief.
Verticale groep: kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar (kind groeit mee).
Horizontale groep: kinderen van dezelfde leeftijd.
Verschillende perspectieven van onderzoeksmethoden:
- Empirisch-analytische pedagogiek
- Normatieve pedagogiek/ ethische reflectie
- Historische pedagogiek
Empirisch-analytische pedagogiek: onderzoek naar concrete praktijken (in het veld).
Op systematisch wijze worden pedagogische handelingen, methoden en therapieën gevolgd of getest.
Intersubjectieve navolgbaarheid (replicatie): het hele proces wordt zo goed mogelijk vastgelegd, zodat het door
anderen nagedaan kan worden.
Er wordt gemeten door: gedrag (rekentaak), survey (vragenlijst), observatie, archief (dossiers), neurobiologisch
(hersengolven), fysiologische (stress-hormoon).
- Kwantitatief: meting die je kan uitdrukken in cijfers (hoe vaak komt iets voor?).
- Kwalitatief: beschrijving van overtuigingen en observaties van mensen (hoe ervaren ze dit?).
Het wetenschappelijk proces/ empirische cyclus
Inductie: afleiden van een algemeen idee uit enkele observaties.
Deductie: afleiden van een toetsbare voorspelling.
Voorbeeld wetenschappelijk proces:
Normatieve pedagogiek/ ethische reflectie: analyse van waarden en normen.
- Normatieve argumenten: wat is goed of slecht op basis van wat algemeen aanvaardbaar is (normen
van een samenleving) (hierbij spreek je niet uit of die norm zelf nu acceptabel is of niet).
- Ethische argumenten: stelsel van argumenten over goed of slecht voor anderen en persoon zelf
(beredeneren waarom iets moreel verantwoord/verplicht is).
- Empirische evidentie: resultaten van onderzoek/observaties die een bewering ondersteunen.
, Multisysteemvraag: vragen die je moet beantwoorden vanuit empirisch-analytisch perspectief en normatieve
pedagogiek.
Voorbeeld: wordt fysiek straffen algemeen geaccepteerd in Tanzania?
- Normatief: analyse van normen en waarden in de opvoeding die in Tanzania gehanteerd worden (door
verschillende groepen in de samenleving).
- Empirische evidentie: Hoeveel wordt er gestraft door wie? Hoe ervaren kinderen dit? Welke invloed
heeft het op de ontwikkeling?
Historische pedagogiek: historische analyse van pedagogische vraagstukken.
Artikel 3 lid 1: de belangen van het kind moeten een eerste overweging zijn bij alle besluiten waarmee het kind
te maken kan krijgen.
Belang van het kind wordt bepaald door:
1. Uitgangspunten en veronderstellingen (rechten van het kind)
2. Argumenten (empirisch/normatief)
BIC-model (Best Interest of the Child): opvoedingscondities waaronder een kind een goede kindertijd beleeft en
ontwikkeling gewaarborgd is (gebaseerd op beschermende en risicofactoren).
In de praktijk: vragenlijst waarmee opvoedingsomgeving van een kind kan worden bestudeerd en kan worden
vergeleken met een situatie bij een specifiek besluit.
Gebaseerd op een theorie over opvoedingsstijlen (autoritaire, autoritatieve, permissieve en aissez-faire stijl).
14 opvoedingscondities van het BIC-model: