Pedagogiek
Eind periode 2 toets (toetsweek- herkansing periode 3), helft van boek
HOOFDSTUK 1,2,4,5,6 + POWERPOINTS (ITS)
Hoorcollege 1 ()
Pedagogiek:
1. betekent letterlijk kinderleiding
2. is een hulpwetenschap → maakt gebruikt van …
Didactiek:
Hoe breng je lesstof over/ manier van kinderen iets leren
➔ Opvoeden staat centraal in de pedagogiek
● Wederzijds respect
● Voldoende veiligheid
● Uitgedaagd worden om beslissingen te nemen
3 belangrijke opvoedkundige termen: (zelfdeterminatietheorie)
1. Relatie/verbondenheid: opvoeder en opvoedeling (ik hoor erbij)
2. Competentie: vertrouwen geven aan de opvoedeling, zelf dingen doen (ik voel me
vrij)
3. Autonomie: respect→ eigen keuzes binnen de regels. Gaat over
zelfbepaling, zelfsturing en eigenaarschap (ik kan het)
➔ Intrinsieke motivatie: motivatie komt vanuit jezelf (geen beloning etc)
4 basisdimensies van opvoeden
1. Ondersteuning bieden: (hoort bij relatie)
★ Drukt liefde en zorg uit → fysieke en emotionele welzijn
★ Warmte en affectie
★ Sensitiviteit (=signalen oppikken) en responsiviteit (=adequaat wat mee gaan doen)
★ Ondersteunen door belonen en straffen
2. Instructie geven
Bedoeling van iets duidelijk maken
★ Verwacht gedrag uitleggen
★ Behoeften kind ← → behoeften ouder
Te veel? Niet meer ontdekken en durven
Te weinig? Kind weet niet wat te doen
3. Controle uitoefenen
Autoritair ← → Autoritatief
Autoritair: ouders oefenen druk uit op het kind voor het stimuleren van gewenst gedrag
! Macht en gezag
! Straffen en kwaad worden
, Autoritatief: ouders geven uitleg aan het kind en er worden eisen gesteld aan de
zelfstandigheid
! Gelijkwaardige relatie
! Gewenst gedrag belonen en ongewenst gedrag bestraft/ negeren
4. Grenzen stellen
Manier waarop de ouder het kind bestraft of beloont om gewenst gedrag aan te leren
(behaviorisme= aangeleerd gedrag)
➔ Gedragsverandering vindt plaats door beïnvloeding
Consequent gedrag ← → aardig gevonden willen worden
3 opvoeddoelen in het westen
1. Zelfstandigheid (individu) → ik kan, mag
2. Zelfredzaamheid (samenleving) → keuze onderbouwen,
verantwoordelijkheid nemen
3. Zelfvertrouwen (toekomst) → oplossing bedenken voor probleem + invloed
➔ Versterken elkaar: meer zelf doen → zelfstandiger → zelfvertrouwen →
zelfredzamer
➔ Opvoeden is een wisselwerking tussen ouders/opvoeders en het kind
➔ Jouw gedrag bepaalt het gedrag van het kind en het gedrag van een kind
bepaalt jouw gedrag → Circulair proces
Intergenerationele overdracht: kinderen bootsen de opvoeding van hun ouders (vaak
en onbewust) na (model-leren) —> Kwaliteiten - eigenschappen - problemen
Verwerking:
1. Ondersteuning bieden: Lenno voelt zich niet begrepen. Er wordt veel gestraft en
minder beloond.
Instructie geven: vader geeft instructie over het verwachte gedrag. Lenno begrijpt
het slecht doordat het niet op een goede manier voor hem wordt uitgelegd.
Controle uitvoeren: allemaal op de manier van vader. Hij staat duidelijk boven
Lenno er is geen gelijkwaardigheid.
Grenzen stellen: vader geeft grenzen aan door af te tellen. Hij kwam consequent
over.
2. Deze 3 opvoedingsdoelen mist Lenno nog. HIj is zowel als individu, als in de
samenleving nog onzeker. Ook zelfredzaamheid mist. Dit komt omdat hij slecht
begrepen wordt en dus klein wordt gehouden
3. Je ziet dat vader het moeilijk vind om om te gaan met zijn zoon. Het jongetje heeft
overduidelijk moeite met te veel prikkels. Vader doet wel erg zijn best, maar het is
heel lastig.
4. Deels hetzelfde als dat hij zijn zoon opvoedt. Dus met duidelijke regels en dat de
ouders boven kind staan. Keuzes van de kinderen worden beperkt. Hij is niet anders
gewend dus doet hij dit ook. Lenno is echter een ander kind dan de meeste anderen.
5. Ik zou Lenno allereerst goed observeren, om vervolgens een gesprek aan te gaan
met vader om te kijken hoe ik het kind het beste kan ondersteunen tijdens de les.
Eind periode 2 toets (toetsweek- herkansing periode 3), helft van boek
HOOFDSTUK 1,2,4,5,6 + POWERPOINTS (ITS)
Hoorcollege 1 ()
Pedagogiek:
1. betekent letterlijk kinderleiding
2. is een hulpwetenschap → maakt gebruikt van …
Didactiek:
Hoe breng je lesstof over/ manier van kinderen iets leren
➔ Opvoeden staat centraal in de pedagogiek
● Wederzijds respect
● Voldoende veiligheid
● Uitgedaagd worden om beslissingen te nemen
3 belangrijke opvoedkundige termen: (zelfdeterminatietheorie)
1. Relatie/verbondenheid: opvoeder en opvoedeling (ik hoor erbij)
2. Competentie: vertrouwen geven aan de opvoedeling, zelf dingen doen (ik voel me
vrij)
3. Autonomie: respect→ eigen keuzes binnen de regels. Gaat over
zelfbepaling, zelfsturing en eigenaarschap (ik kan het)
➔ Intrinsieke motivatie: motivatie komt vanuit jezelf (geen beloning etc)
4 basisdimensies van opvoeden
1. Ondersteuning bieden: (hoort bij relatie)
★ Drukt liefde en zorg uit → fysieke en emotionele welzijn
★ Warmte en affectie
★ Sensitiviteit (=signalen oppikken) en responsiviteit (=adequaat wat mee gaan doen)
★ Ondersteunen door belonen en straffen
2. Instructie geven
Bedoeling van iets duidelijk maken
★ Verwacht gedrag uitleggen
★ Behoeften kind ← → behoeften ouder
Te veel? Niet meer ontdekken en durven
Te weinig? Kind weet niet wat te doen
3. Controle uitoefenen
Autoritair ← → Autoritatief
Autoritair: ouders oefenen druk uit op het kind voor het stimuleren van gewenst gedrag
! Macht en gezag
! Straffen en kwaad worden
, Autoritatief: ouders geven uitleg aan het kind en er worden eisen gesteld aan de
zelfstandigheid
! Gelijkwaardige relatie
! Gewenst gedrag belonen en ongewenst gedrag bestraft/ negeren
4. Grenzen stellen
Manier waarop de ouder het kind bestraft of beloont om gewenst gedrag aan te leren
(behaviorisme= aangeleerd gedrag)
➔ Gedragsverandering vindt plaats door beïnvloeding
Consequent gedrag ← → aardig gevonden willen worden
3 opvoeddoelen in het westen
1. Zelfstandigheid (individu) → ik kan, mag
2. Zelfredzaamheid (samenleving) → keuze onderbouwen,
verantwoordelijkheid nemen
3. Zelfvertrouwen (toekomst) → oplossing bedenken voor probleem + invloed
➔ Versterken elkaar: meer zelf doen → zelfstandiger → zelfvertrouwen →
zelfredzamer
➔ Opvoeden is een wisselwerking tussen ouders/opvoeders en het kind
➔ Jouw gedrag bepaalt het gedrag van het kind en het gedrag van een kind
bepaalt jouw gedrag → Circulair proces
Intergenerationele overdracht: kinderen bootsen de opvoeding van hun ouders (vaak
en onbewust) na (model-leren) —> Kwaliteiten - eigenschappen - problemen
Verwerking:
1. Ondersteuning bieden: Lenno voelt zich niet begrepen. Er wordt veel gestraft en
minder beloond.
Instructie geven: vader geeft instructie over het verwachte gedrag. Lenno begrijpt
het slecht doordat het niet op een goede manier voor hem wordt uitgelegd.
Controle uitvoeren: allemaal op de manier van vader. Hij staat duidelijk boven
Lenno er is geen gelijkwaardigheid.
Grenzen stellen: vader geeft grenzen aan door af te tellen. Hij kwam consequent
over.
2. Deze 3 opvoedingsdoelen mist Lenno nog. HIj is zowel als individu, als in de
samenleving nog onzeker. Ook zelfredzaamheid mist. Dit komt omdat hij slecht
begrepen wordt en dus klein wordt gehouden
3. Je ziet dat vader het moeilijk vind om om te gaan met zijn zoon. Het jongetje heeft
overduidelijk moeite met te veel prikkels. Vader doet wel erg zijn best, maar het is
heel lastig.
4. Deels hetzelfde als dat hij zijn zoon opvoedt. Dus met duidelijke regels en dat de
ouders boven kind staan. Keuzes van de kinderen worden beperkt. Hij is niet anders
gewend dus doet hij dit ook. Lenno is echter een ander kind dan de meeste anderen.
5. Ik zou Lenno allereerst goed observeren, om vervolgens een gesprek aan te gaan
met vader om te kijken hoe ik het kind het beste kan ondersteunen tijdens de les.