Hoofdstuk 1
1.1.
B. Getallen zijn onmisbaar in de samenleving. Getallen helpen je om de wereld
te ordenen, structureren en organiseren. Getallen komen in verschillende
situaties en betekenissen voor → betekenis hangt af van de verschijningsvorm en
functie van de getallen.
Telgetal= Ordinaal getal= geeft rangorde aan in telrij
Telrij= rij cijfers
Hoeveelheidsgetal= Kardinaal getal= geeft hoeveelheid aan
Naamgetal= geeft een naam aan: buslijn 60
Meetgetal= geeft een maat aan
Formeel getal= Kaal rekengetal dat je tegenkomt bij een rekenopgave
De uitkomsten van sommen zijn natuurlijke getallen (uitzondering: negatieve getallen)
Negatieve getallen kennen de kinderen door meetgetallen (temperatuur)
A. Getallen om je heen → op onderzoek uit (route, school, etc) → geld, bsn,
etc.
1.2.
B. Talstelsel, getallenstelsel of getalsysteem = getallen in een rij cijfers weergeven
Ons getallensysteem: 1202 Leonardo van Pisa/Fibonacci → Decimale talstelsel
Cijfersymbolen = cijfers
De plaats of positie van een cijfer bepaalt de waarde → Positionele notatie
I 1
V 5
X 10
L 50
C 100
D 500
M 1000
Additief systeem= Egyptisch & romeins → waarde van voorgestelde getal wordt
bepaald door totaal van symbolen.
Subtractief principe= symbool met kleinere waarde staat voor een symbool met grotere
waarde.
Binaire talstelsel= Tweetallig → 0 & 1
Hexadecimale talstelsel= basis 16
Sexagesimale talstelsel= Babylonische= basis 60
Octale talstelsel= basis 8
, Metriek stelsel= Elke eenheid wordt in stappen 10x groter of kleiner
1.4.
Basisbewerkingen= optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen
Diverse eigenschappen van bewerkingen
Communicatieve of wissel eigenschap = termen en eigenschappen verwisselen (ALLEEN
BIJ OPTELLEN EN KEERSOMMEN)
Associatieve eigenschap= Bij sommen met 3 of meer getallen kiezen welke je eerst
OPTELT OF KEER doet
Distributieve of verdeel eigenschap= Het opsplitsen van een getal (3x 14 = 3x 10 + 3 x 4)
(O,A,K,D)
Inverse relatie = som omdraaien (7x8=56 → 56:8=7)
1.5.
Uitspraak verschilt van hoe wij getallen schrijven
→ 52 → zeggen eerst de 2 en dan de 50
→ 1501 → vijftien honderd en duizend vijfhonderd
→ veertig en niet viertig, tien en niet tientig
1 x 10^6 = 1 000 000
Begrippen verschillen allemaal
SOM, VERSCHIL, PRODUCT, QUOTIENT
Operator= eerste getal in de som