Periodiek systeem
In de scheikunde zijn 2 belangrijke begrippen. Microniveau en
macroniveau. Als iets op macroniveau is kun je het met het blote oog
waarnemen, dus eigenlijk is het groot, dus macro is alles wat we
waarnemen. Microniveau is klein en op molecuulniveau. Op je examen
kan er gevraagd worden om het op microniveau te beschrijven. Hiervoor
moeten we het op microniveau gaan begrijpen.
Dit kan moet behulp van meneer Rutherford. Deze wetenschapper
concludeerde dat het atoom bestaat uit een positief geladen atoomkern
met daaromheen een wolk met negatief geladen elektronen. Deze zijn
de elektronenwolk rond de kern.
Later bleek uit ook dat de atoomkern bestond uit kleinere deeltjes,
positief geladen protonen en neutraal geladen neutronen. De neutronen
zorgen ervoor dat de positieve protonen bij elkaar gehouden worden. De
negatieve lading moet altijd precies even groot zijn als de positieve
lading. De elektrische lading van protonen en neutronen kun je
uitdrukken in Coulomb(C). De lading van een proton/elektron is 1,6 x
10⁻¹⁹ C. Maar meestal gebruik je de eenheid elementaire ladingseenheid
of elementair ladingskwantum (e). Dus je gebruikt dan gewoon de lading
van één elektron
Nog wat later is het atoommodel van Rutherford verfijnd door meneer
Bohr. Hij ontdekte dat er geen elektronenwolk was maar dat er
verschillende bolvormige banen zijn waar de elektronen doorheen
bewegen. Dit zijn de elektronenschillen. Over deze schillen wordt een
aantal elektronen verdeeld. Dit heet ook wel de elektronenconfiguratie.
De schillen hebben ook ieder een naam:
● Schil 1: K-schil en bevat 2 elektronen
● Schil 2: L-schil en bevat 8 elektronen
● Schil 3: M-schil en bevat 18 elektronen
● Schil 4: O-schil en bevat 36 elektronen
● Schil 5: P-schil en bevat ook 36 elektronen(Alles na de M-schil
heeft 36 elektronen)
● Schil 6: Q-schil en bevat 36 elektronen
, (je moet in het atoommodel van bohr ook altijd de hoeveelheid protonen
en neutronen neerzetten in de kern en van minimaal 1 elektron de letter
´e` neerzet) (Je kan dan ook e⁻ doen, dat is beter)
Het verschil tussen atomen wordt veroorzaakt tussen het aantal
protonen in de kern. Het aantal protonen is het atoomnummer. Voor een
koolstofatoom is dit nummer 6. Er zijn dan 6 protonen en 6 elektronen.
Het massagetal is het aantal protonen + het aantal neutronen(niet +
elektronen omdat deze zo weinig wegen dat het er niet bij moet). Voor
koolstof kan dit 12 zijn, maar ook bijvoorbeeld 13. Dit kan omdat het
aantal neutronen kan variëren. Dat komt door verschillende isotopen. Er
kunnen in de natuur verschillende massagetallen bij atomen voor. Het
atoomnummer is wel hetzelfde. Je kunt isotopen van elkaar
onderscheiden door notaties. Je kunt massagetal op twee manieren
noteren:
In binas tabel 25 vind je alle isotopen bij de atomen. Je kan dan ook zien
welk van de isotopen het meest in de natuur voorkomt. Dit moet je
kunnen voor de toets. In het periodiek systeem (tabel 99) staat de
gemiddelde atoommassa linksboven. Die van C is bijvoorbeeld 12,01.