Jurisprudentie thema 3
Mestbassin Mechelen (ABRvS)
Rechtsvraag: Kunnen bezwaarmakers die op een grotere afstand dan 250 meter van het mestbassin
wonen worden aangemerkt als belanghebbenden?
Uitspraak: het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een
activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel
belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op
dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen,
maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate
gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de
factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht,
trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in
onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen
kunnen van belang zijn (r.o. 3.2).
Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een
grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het
besluit (r.o. 3.2).
Toelichting: De Afdeling bepaalt hier dat betrokkenen die verder wonen dan een bepaalde afstand
nog steeds belanghebbende kunnen zijn als zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. Echter,
als gevolgen van enige betekenis ontbreken, zijn zij toch geen belanghebbenden. Hierbij moet
worden gelet op afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de
activiteit die het besluit toestaat. Er zijn kortom geen vaste afstanden te bepalen waarbinnen men
belanghebbende is; er moet naar de feitelijke gevolgen van enige betekenis gekeken worden voor
iedere betrokkene om te beslissen of deze belanghebbende is.
, Thema 4
Jetski’s (ABRvS)
Rechtsvraag: welke belangen worden door een bepaalde rechtsnorm beschermd?
Rechtsgang: bij besluit heeft de minister van Verkeer en Waterstaat het verzoek van appellanten om
de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 te wijzigen, afgewezen. Mensen die aan een water
wonen dat is aangewezen als vaargebied voor snelle motorboten komen tegen die aanwijzing op,
omdat zij bang zijn voor geluidsoverlast. Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep
ingesteld.
Essentie: Deze zaak draait om het zogenaamde specialiteitsbeginsel binnen het bestuursrecht. Het
uitgangspunt van dat beginsel is, dat bij het nemen van een bestuursbesluit alleen de belangen met
het oog waarop de betreffende bestuursbevoegdheid is toegekend mogen worden meegewogen. De
Afdeling overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat het Binnenvaartpolitiereglement en de
Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 zijn gebaseerd op art. 3 Scheepvaartverkeerswet. Dit
artikel is geplaatst in het hoofdstuk ‘Ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen’.
Die ordening strekt blijkens de duidelijke tekst van die bepaling enkel ten dienste van de daarin
genoemde belangen. Het beperken van geluidsoverlast wordt hierin echter niet genoemd. De
minister heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de vaargebieden
voor de snelle watersport, gelet op de wettekst en het gestelde in de memorie van toelichting, met
het belang van het voorkomen van geluidhinder voor omwonenden geen rekening kan en mag
worden gehouden.
Opmerkelijk: dit is een bijzonder arrest, want de uitkomst is niet geheel wenselijk vanuit het oogpunt
van de belanghebbenden, maar dat is nu eenmaal hoe het bestuursrecht werkt. Wat je moet weten
over het specialiteitsbeginsel is dat bij het nemen van een bestuursbesluit alleen de belangen met
het oog waarop de betreffende bestuursbevoegdheid is toegekend mogen worden meegewogen.
Andere belangen, zelfs als die reëel zijn en in de praktijk om de hoek komen kijken, mogen in dit
oordeel geen rol spelen.
Mestbassin Mechelen (ABRvS)
Rechtsvraag: Kunnen bezwaarmakers die op een grotere afstand dan 250 meter van het mestbassin
wonen worden aangemerkt als belanghebbenden?
Uitspraak: het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een
activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel
belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op
dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen,
maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate
gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de
factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht,
trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in
onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen
kunnen van belang zijn (r.o. 3.2).
Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een
grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het
besluit (r.o. 3.2).
Toelichting: De Afdeling bepaalt hier dat betrokkenen die verder wonen dan een bepaalde afstand
nog steeds belanghebbende kunnen zijn als zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. Echter,
als gevolgen van enige betekenis ontbreken, zijn zij toch geen belanghebbenden. Hierbij moet
worden gelet op afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen van de
activiteit die het besluit toestaat. Er zijn kortom geen vaste afstanden te bepalen waarbinnen men
belanghebbende is; er moet naar de feitelijke gevolgen van enige betekenis gekeken worden voor
iedere betrokkene om te beslissen of deze belanghebbende is.
, Thema 4
Jetski’s (ABRvS)
Rechtsvraag: welke belangen worden door een bepaalde rechtsnorm beschermd?
Rechtsgang: bij besluit heeft de minister van Verkeer en Waterstaat het verzoek van appellanten om
de Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 te wijzigen, afgewezen. Mensen die aan een water
wonen dat is aangewezen als vaargebied voor snelle motorboten komen tegen die aanwijzing op,
omdat zij bang zijn voor geluidsoverlast. Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep
ingesteld.
Essentie: Deze zaak draait om het zogenaamde specialiteitsbeginsel binnen het bestuursrecht. Het
uitgangspunt van dat beginsel is, dat bij het nemen van een bestuursbesluit alleen de belangen met
het oog waarop de betreffende bestuursbevoegdheid is toegekend mogen worden meegewogen. De
Afdeling overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat het Binnenvaartpolitiereglement en de
Regeling snelle motorboten Rijkswateren 1995 zijn gebaseerd op art. 3 Scheepvaartverkeerswet. Dit
artikel is geplaatst in het hoofdstuk ‘Ordening van het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen’.
Die ordening strekt blijkens de duidelijke tekst van die bepaling enkel ten dienste van de daarin
genoemde belangen. Het beperken van geluidsoverlast wordt hierin echter niet genoemd. De
minister heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van de vaargebieden
voor de snelle watersport, gelet op de wettekst en het gestelde in de memorie van toelichting, met
het belang van het voorkomen van geluidhinder voor omwonenden geen rekening kan en mag
worden gehouden.
Opmerkelijk: dit is een bijzonder arrest, want de uitkomst is niet geheel wenselijk vanuit het oogpunt
van de belanghebbenden, maar dat is nu eenmaal hoe het bestuursrecht werkt. Wat je moet weten
over het specialiteitsbeginsel is dat bij het nemen van een bestuursbesluit alleen de belangen met
het oog waarop de betreffende bestuursbevoegdheid is toegekend mogen worden meegewogen.
Andere belangen, zelfs als die reëel zijn en in de praktijk om de hoek komen kijken, mogen in dit
oordeel geen rol spelen.