Oefentoets:
1) Hersenen glut 3
Lever glut 2
Spier glut 4
Pancreas glut 2
Vetweefsel glut 4
2) Glut 2 heeft een lage affiniteit voor glucose
Glut 3 heeft een hoge affiniteit voor glucose
Glut 4 is insuline gevoelig en heeft een gemiddelde affiniteit voor glucose
3) Glutamaat kan omgezet worden in alfa keto glutaraat
Aspartaat kan omgezet worden in oxaloacetaat
Alanine kan omgezet worden in pyruvaat
4) Chylomicron heeft apo B48
VLDL en LDL hebben apo B100
5) Enzymen in de lever die actief worden onder invloed van insuline: glycogeen synthase,
PDH, PFK en ACC glycolyse, vetopbouw en glycogeen opbouw
6) Ketonlichamen zijn acetoacetaat, aceton en hydroxybutyraat
7) VLDL en chylomicronen worden voornamelijk afgebroken door LPL
8) Glucagon bindt aan receptor actief G eiwit adenylyl cyclase cAMP PKA HSL
9) Pyruvaat carboxylase speelt een belangrijke rol bij het aanvullen van Krebs cyclus
intermediairen en gluconeogenese.
10) Glycerol, propionaat en alanine kunnen omgezet worden in glucose via de
gluconeogenese.
11) Maximale spierinspanning wordt niet alleen verkregen via lactaatproductie uit glucose.
12) Tijdens het lopen van ene marathon op 70% van de maximale aerobe capaciteit zal de
glycerolconcentratie in het bloed toenemen.
13) De capillaire doorstroming van het bloed is in type 1 (slow twitch) spiervezels beter dan
in type 2 (fast switch) vezels, daarom zijn type 1 vezels roder.
14) Tijdens het lopen van een marathon zal het verhoogde aanbod van vetzuren uit het
vetweefsel leiden tot een remming van de glycogeenafbraak in de spiercel.
15) Vlak na een maaltijd is HSL van de vetcel niet actief.
16) In de post-absorptieve fase (geen opname, dus glucagon) na een maaltijd zal de activiteit
van glycogeensynthase dalen door een verhoogde cAMP concentratie in de levercel.
17) Glycerol is een substraat voor de gluconeogenese in de lever waarvan het aanbod toe zal
nemen in de 1e hongerfase.
1) Hersenen glut 3
Lever glut 2
Spier glut 4
Pancreas glut 2
Vetweefsel glut 4
2) Glut 2 heeft een lage affiniteit voor glucose
Glut 3 heeft een hoge affiniteit voor glucose
Glut 4 is insuline gevoelig en heeft een gemiddelde affiniteit voor glucose
3) Glutamaat kan omgezet worden in alfa keto glutaraat
Aspartaat kan omgezet worden in oxaloacetaat
Alanine kan omgezet worden in pyruvaat
4) Chylomicron heeft apo B48
VLDL en LDL hebben apo B100
5) Enzymen in de lever die actief worden onder invloed van insuline: glycogeen synthase,
PDH, PFK en ACC glycolyse, vetopbouw en glycogeen opbouw
6) Ketonlichamen zijn acetoacetaat, aceton en hydroxybutyraat
7) VLDL en chylomicronen worden voornamelijk afgebroken door LPL
8) Glucagon bindt aan receptor actief G eiwit adenylyl cyclase cAMP PKA HSL
9) Pyruvaat carboxylase speelt een belangrijke rol bij het aanvullen van Krebs cyclus
intermediairen en gluconeogenese.
10) Glycerol, propionaat en alanine kunnen omgezet worden in glucose via de
gluconeogenese.
11) Maximale spierinspanning wordt niet alleen verkregen via lactaatproductie uit glucose.
12) Tijdens het lopen van ene marathon op 70% van de maximale aerobe capaciteit zal de
glycerolconcentratie in het bloed toenemen.
13) De capillaire doorstroming van het bloed is in type 1 (slow twitch) spiervezels beter dan
in type 2 (fast switch) vezels, daarom zijn type 1 vezels roder.
14) Tijdens het lopen van een marathon zal het verhoogde aanbod van vetzuren uit het
vetweefsel leiden tot een remming van de glycogeenafbraak in de spiercel.
15) Vlak na een maaltijd is HSL van de vetcel niet actief.
16) In de post-absorptieve fase (geen opname, dus glucagon) na een maaltijd zal de activiteit
van glycogeensynthase dalen door een verhoogde cAMP concentratie in de levercel.
17) Glycerol is een substraat voor de gluconeogenese in de lever waarvan het aanbod toe zal
nemen in de 1e hongerfase.