De korte termijn
Hoofdstuk 3: de goederenmarkt
De samenstelling van het BBP
Tabel 3.1
Als we willen begrijpen wat de vraag van goederen bepaalt, is het slim om naar
de totale output (BBP) te kijken vanuit het oogpunt van de verschillende kopers
van de producten en vanuit het oogpunt van de verschillende producten die
worden geproduceerd.
BBP= C + I + G + EX – IM
1. consumptie (C)
De goederen en diensten die de consument gebruikt
2. Investeringen (I)
De aankoop van kapitaalgoederen
3. Overheidsbestedingen (G)
Goederen en diensten die worden aangekocht door de overheid.
(publieke goederen)
! Deze bevatten geen transfers, intrest !
4. Net exports ~ handelsbalans
Het verschil tussen de export en de import
Wanneer de export > import is er sprake van een overschot of
surplus.
Wanneer de export < import is er sprake van een tekort of deficit
Export (X)
Goederen en diensten die geproduceerd zijn om uit te voeren.
Import (IM)
Buitenlandse goederen en diensten aangekocht die in ons land
worden verkocht
5. Voorraadsveranderingen
Het verschil tussen productie en verkoop
De vraag naar goederen
De totale vraag naar goederen wordt genoteerd als Z: Z ≡ C + I + G + EX – IM
definieert als
Om Z te definiëren worden er enkele simplificaties gemaakt:
1. Alle bedrijven produceren hetzelfde goed, gebruikt door consumenten,
bedrijven en de overheid.
2. De bedrijven zijn bereid aan een gegeven prijs elke gevraagde hoeveelheid
te produceren. ER is dus een focus op de vraag (korte termijn)
3. De economie is gesloten (X = IM = 0), dan: Z ≡ C + I + G
, Consumptie (C)
Dit hangt af van verschillende factoren, maar vooral van het beschikbaar
inkomen (YD)
Het inkomen dat overblijft na de betaling van de belastingen en ontvangst
van het sociaal
inkomen (teruggave)
YD = Y –T
De consumptiefunctie: C ( YD )
Een gedrag vergelijking, het omvat het gedrag van consumenten.
C = C ( YD )
(+) positief verband tussen inkomen en consumptie
specifiekere vorm: de lineaire relatie: C = c0 + c1YD
c1: de marginale consumptiequote
Het effect van één extra dollar in je inkomen op je consumptie
“Met hoeveel zal C wijzigen ten gevolge van een verandering in y 0?”
vb. Wanneer c1 gelijk is aan 0,6, dan is je extra consumptie 0,60 cent
voor die dollar
extra.
≠ elasticiteit
c0: de autonome consumptie
Datgene dat we consumeren als we geen inkomen zouden krijgen
(YD = 0). Maw
datgene dat we kopen om te overleven.
! altijd positief !
betere parameter
Figuur 3.1
Het gaat om een lineaire relatie, dus een eerstegraadsfunctie rechte (c1 is een
constante)
C = c0 + c1(Y-T)
Een hoger inkomen, zorgt voor een hogere consumptie en hogere
belastingen zorgen voor
een lagere consumptie. Dit gebeurt niet meteen.
∆ C /C
Inkomenselasticiteit van C: ∆ Yd /Yd
Hoofdstuk 3: de goederenmarkt
De samenstelling van het BBP
Tabel 3.1
Als we willen begrijpen wat de vraag van goederen bepaalt, is het slim om naar
de totale output (BBP) te kijken vanuit het oogpunt van de verschillende kopers
van de producten en vanuit het oogpunt van de verschillende producten die
worden geproduceerd.
BBP= C + I + G + EX – IM
1. consumptie (C)
De goederen en diensten die de consument gebruikt
2. Investeringen (I)
De aankoop van kapitaalgoederen
3. Overheidsbestedingen (G)
Goederen en diensten die worden aangekocht door de overheid.
(publieke goederen)
! Deze bevatten geen transfers, intrest !
4. Net exports ~ handelsbalans
Het verschil tussen de export en de import
Wanneer de export > import is er sprake van een overschot of
surplus.
Wanneer de export < import is er sprake van een tekort of deficit
Export (X)
Goederen en diensten die geproduceerd zijn om uit te voeren.
Import (IM)
Buitenlandse goederen en diensten aangekocht die in ons land
worden verkocht
5. Voorraadsveranderingen
Het verschil tussen productie en verkoop
De vraag naar goederen
De totale vraag naar goederen wordt genoteerd als Z: Z ≡ C + I + G + EX – IM
definieert als
Om Z te definiëren worden er enkele simplificaties gemaakt:
1. Alle bedrijven produceren hetzelfde goed, gebruikt door consumenten,
bedrijven en de overheid.
2. De bedrijven zijn bereid aan een gegeven prijs elke gevraagde hoeveelheid
te produceren. ER is dus een focus op de vraag (korte termijn)
3. De economie is gesloten (X = IM = 0), dan: Z ≡ C + I + G
, Consumptie (C)
Dit hangt af van verschillende factoren, maar vooral van het beschikbaar
inkomen (YD)
Het inkomen dat overblijft na de betaling van de belastingen en ontvangst
van het sociaal
inkomen (teruggave)
YD = Y –T
De consumptiefunctie: C ( YD )
Een gedrag vergelijking, het omvat het gedrag van consumenten.
C = C ( YD )
(+) positief verband tussen inkomen en consumptie
specifiekere vorm: de lineaire relatie: C = c0 + c1YD
c1: de marginale consumptiequote
Het effect van één extra dollar in je inkomen op je consumptie
“Met hoeveel zal C wijzigen ten gevolge van een verandering in y 0?”
vb. Wanneer c1 gelijk is aan 0,6, dan is je extra consumptie 0,60 cent
voor die dollar
extra.
≠ elasticiteit
c0: de autonome consumptie
Datgene dat we consumeren als we geen inkomen zouden krijgen
(YD = 0). Maw
datgene dat we kopen om te overleven.
! altijd positief !
betere parameter
Figuur 3.1
Het gaat om een lineaire relatie, dus een eerstegraadsfunctie rechte (c1 is een
constante)
C = c0 + c1(Y-T)
Een hoger inkomen, zorgt voor een hogere consumptie en hogere
belastingen zorgen voor
een lagere consumptie. Dit gebeurt niet meteen.
∆ C /C
Inkomenselasticiteit van C: ∆ Yd /Yd