4.1
productie: het geschikter maken van goederen en diensten voor gebruik
- de handel in goederen
- huishoudelijk werk
halffabrikaten: producten die nog niet geschikt zijn voor consumptie door eindgebruikers
negatieve externe effecten: kosten voor de maatschappij die niet die niet in de prijs van
productie worden verwerkt
4.2
transactiekosten: alle inspanningen en opofferingen die worden gedaan om transacties
goed te laten verlopen (zowel financieel als niet financieel)
transactiekosten verlaging:
- het bestaan van een markt
- het bestaan van ondernemingen
- het handhaven van eigendomsrechten door de overheid
- het geven van garantie
- het gebruik van moderne informatietechnologie
4.3
specialisatie: het maken van 1 goed
- externe arbeidsverdeling: specialisatie tussen ondernemingen
- interne arbeidsverdeling: specialisatie binnen een onderneming
- geografische arbeidsverdeling: specialisatie tussen landen of regio’s
directe ruil: wanneer goederen of diensten rechtstreeks tegen elkaar worden geruild
indirecte ruil: wanneer je geld voor een goed of dienst ruilt
- geld heeft geleid tot een verlaging van de transactiekosten van het ruilen
● hierdoor werd een verder doorgevoerde arbeidsverdeling/arbeidsspecialisatie
mogelijk
4.4
arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer in een bepaalde periode
- totale productie/totale werkgelegenheid in uren = arbeidsproductiviteit
- geldswaarde van productie/totale werkgelegenheid in uren = arbeidsproductiviteit in
geldswaarde
arbeidsproductiviteit neemt toe door specialisatie, scholing en kapitaalgoederen(investeren)
- breedte investeringen: wanneer er kapitaalgoederen worden gekocht van een type
dat al bij de onderneming in gebruik is
- diepte investeringen: wanneer er andere kapitaalgoederen gekocht worden die
productiever zijn dan de oude
- aantal verkochte producten x verkoopprijs = totale verkoopopbrengst
- afzet x verkoopprijs = omzet
- omzet-totale kosten = totale winst
- totale kosten/totale productie = kosten per eenheid product
, - totale loonkosten/totale productie = loonkosten per eenheid product
- loonkosten per uur/arbeidsproductiviteit = loonkosten per eenheid product
4.5
bedrijfskolom: alle schakels in het proces van oerproducent tot detailhandel
bedrijfstak: fase in de bedrijfskolom
toegevoegde waarde: de waarde die door de desbetreffende bedrijfstak aan het product
wordt toegevoegd
- de consument voegt geen waarde toe aan een product en maakt daarom geen deel
uit van de bedrijfskolom
- marktwaarde van de productie-ingekochte grondstoffen, hulpstoffen en diensten van
derden = bruto toegevoegde waarde
- bruto toegevoegde waarde-afschrijvingen = netto toegevoegde waarde
4.6
parallellisatie: een onderneming gaat aanverwante activiteiten uit een andere bedrijfskolom
erbij doen (staat tegenover specialisatie)
branchevervaging: er worden bij parallellisatie ook branchevreemde producten te koop
aangeboden
integratie: de samenvoeging van twee opeenvolgende bedrijfstakken
differentiatie: wanneer er een bedrijfstak in de bedrijfskolom bij komt
4.7
indeling ondernemingen:
- het soort product of dienst
● primaire sector
● secundaire sector
● tertiaire sector
● quartaire sector
- rechtsvorm
● eenmanszaak: eigendom en leiding in handen van 1 persoon (hoofdelijke
aansprakelijkheid)
● vennootschap onder firma: twee of meer mensen (firmanten) hebben
gezamenlijk leiding en eigendom van de onderneming
● commanditaire vennootschap: beherende vennoot heeft de leiding en is
met zijn privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.
de stille vennoot verschaft vermogen en is alleen voor dat bedrag
aansprakelijk.
● besloten vennootschap: het vermogen is verdeeld in aandelen, die in het
bezit zijn van de eigenaren. bij een faillissement verliezen de aandeelhouders
productie: het geschikter maken van goederen en diensten voor gebruik
- de handel in goederen
- huishoudelijk werk
halffabrikaten: producten die nog niet geschikt zijn voor consumptie door eindgebruikers
negatieve externe effecten: kosten voor de maatschappij die niet die niet in de prijs van
productie worden verwerkt
4.2
transactiekosten: alle inspanningen en opofferingen die worden gedaan om transacties
goed te laten verlopen (zowel financieel als niet financieel)
transactiekosten verlaging:
- het bestaan van een markt
- het bestaan van ondernemingen
- het handhaven van eigendomsrechten door de overheid
- het geven van garantie
- het gebruik van moderne informatietechnologie
4.3
specialisatie: het maken van 1 goed
- externe arbeidsverdeling: specialisatie tussen ondernemingen
- interne arbeidsverdeling: specialisatie binnen een onderneming
- geografische arbeidsverdeling: specialisatie tussen landen of regio’s
directe ruil: wanneer goederen of diensten rechtstreeks tegen elkaar worden geruild
indirecte ruil: wanneer je geld voor een goed of dienst ruilt
- geld heeft geleid tot een verlaging van de transactiekosten van het ruilen
● hierdoor werd een verder doorgevoerde arbeidsverdeling/arbeidsspecialisatie
mogelijk
4.4
arbeidsproductiviteit: de productie per werknemer in een bepaalde periode
- totale productie/totale werkgelegenheid in uren = arbeidsproductiviteit
- geldswaarde van productie/totale werkgelegenheid in uren = arbeidsproductiviteit in
geldswaarde
arbeidsproductiviteit neemt toe door specialisatie, scholing en kapitaalgoederen(investeren)
- breedte investeringen: wanneer er kapitaalgoederen worden gekocht van een type
dat al bij de onderneming in gebruik is
- diepte investeringen: wanneer er andere kapitaalgoederen gekocht worden die
productiever zijn dan de oude
- aantal verkochte producten x verkoopprijs = totale verkoopopbrengst
- afzet x verkoopprijs = omzet
- omzet-totale kosten = totale winst
- totale kosten/totale productie = kosten per eenheid product
, - totale loonkosten/totale productie = loonkosten per eenheid product
- loonkosten per uur/arbeidsproductiviteit = loonkosten per eenheid product
4.5
bedrijfskolom: alle schakels in het proces van oerproducent tot detailhandel
bedrijfstak: fase in de bedrijfskolom
toegevoegde waarde: de waarde die door de desbetreffende bedrijfstak aan het product
wordt toegevoegd
- de consument voegt geen waarde toe aan een product en maakt daarom geen deel
uit van de bedrijfskolom
- marktwaarde van de productie-ingekochte grondstoffen, hulpstoffen en diensten van
derden = bruto toegevoegde waarde
- bruto toegevoegde waarde-afschrijvingen = netto toegevoegde waarde
4.6
parallellisatie: een onderneming gaat aanverwante activiteiten uit een andere bedrijfskolom
erbij doen (staat tegenover specialisatie)
branchevervaging: er worden bij parallellisatie ook branchevreemde producten te koop
aangeboden
integratie: de samenvoeging van twee opeenvolgende bedrijfstakken
differentiatie: wanneer er een bedrijfstak in de bedrijfskolom bij komt
4.7
indeling ondernemingen:
- het soort product of dienst
● primaire sector
● secundaire sector
● tertiaire sector
● quartaire sector
- rechtsvorm
● eenmanszaak: eigendom en leiding in handen van 1 persoon (hoofdelijke
aansprakelijkheid)
● vennootschap onder firma: twee of meer mensen (firmanten) hebben
gezamenlijk leiding en eigendom van de onderneming
● commanditaire vennootschap: beherende vennoot heeft de leiding en is
met zijn privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de onderneming.
de stille vennoot verschaft vermogen en is alleen voor dat bedrag
aansprakelijk.
● besloten vennootschap: het vermogen is verdeeld in aandelen, die in het
bezit zijn van de eigenaren. bij een faillissement verliezen de aandeelhouders