Ivana Raspudic 2021-2022
Inhoudsopgave
0. Inleidend college......................................................................................................................................... 2
1. Waarom een vak ‘Buitenlandse rechtsstelsels’? ............................................................................................. 2
2. Overzicht en selectie buitenlandse rechtsstelsels ........................................................................................... 2
1. Historische context ..................................................................................................................................... 3
1.1. Onderdeel van het (West-)Romeinse rijk: .................................................................................................... 3
1.2. 476: val van het West-Romeinse rijk ........................................................................................................... 3
1.3. 8e-18e eeuw: tijdperk van de Franse Koningen ............................................................................................ 4
1.4. 1789: Franse revolutie (1789) tot 1958 ....................................................................................................... 5
1.5. 1958: 5e Republiek (huidige regime) ........................................................................................................... 6
2. Rechtsbronnen ........................................................................................................................................... 7
2.1. Overzicht van de rechtsbronnen .................................................................................................................. 7
1) Grondwet (Constitution) ............................................................................................................................ 7
2) Wetgeving ................................................................................................................................................ 10
3) Rechtspraak ............................................................................................................................................. 12
2.2. Hiërarchie der normen ............................................................................................................................... 14
3. Staatstructuren en instellingen ................................................................................................................. 18
3.0. Scheiding der machten ligt aan de basis van de Franse staatsstructuur ................................................... 18
3.1. De wetgevende macht ............................................................................................................................... 19
1) Bicameraal stelsel (const., art. 24)........................................................................................................... 19
2) Domaine de la loi ..................................................................................................................................... 21
3) Loi organique ........................................................................................................................................... 25
4) Wetgevend proces ................................................................................................................................... 25
3.2. De uitvoerende macht ............................................................................................................................... 30
Samenstelling............................................................................................................................................... 30
1) President de la république....................................................................................................................... 31
2) Rol en bevoegdheden van de president .................................................................................................. 36
3) De Regering (Gouvernement): 2de deel uitvoerende macht .................................................................. 39
4) Verhouding tussen de machten ............................................................................................................... 40
3.3. Het gerechtelijk systeem ............................................................................................................................ 42
1) Inleiding ................................................................................................................................................... 42
2) Ordre judiciaire ........................................................................................................................................ 43
3) Andere rechtscolleges ............................................................................................................................. 45
4) Ordre administratif .................................................................................................................................. 47
5) Herziening van de grondwet .................................................................................................................... 53
3.4. Rechterlijke macht: .................................................................................................................................... 56
1) Jurisdictioneel dualisme: twee afzonderlijke rechtsordes (cf. België) ..................................................... 56
2) Kenmerken van de ordre judiciaire ......................................................................................................... 61
3) 4 hoogste rechtbanken ............................................................................................................................ 62
4. Capita selecta: Laïcité ............................................................................................................................... 64
4.1. Begrip laïcité .............................................................................................................................................. 64
4.2. Verbod op het bedekken van het gezicht in de publieke ruimte ................................................................ 69
1
,Ivana Raspudic 2021-2022
0. Inleidend college
1. Waarom een vak ‘Buitenlandse rechtsstelsels’?
• Er is veel meer dan enkel Belgisch recht
• Veel sneller in contact komen met andere landen
-> Europa
• Invloed buitenlands recht op Belgisch recht
• Context internationalisering en toenemende
mobiliteit
o Belang van Europees recht. Wisselwerking tussen nationaal en supranationaal
recht
o Eenmaking en harmonisatie (dwingend of als model)
o Toepassing buitenlands recht (bv. IPR)
• Jurist zijn = kritisch het recht in vraag durven stellen
o Creatieve oplossingen en inspiratie zoeken
o Bewust zijn van de relativiteit van het recht
• Rechtsvergelijkend onderzoek VERGELIJKBAARHEID
2. Overzicht en selectie buitenlandse rechtsstelsels
Vergelijkbaarheid Frans, Duits en Anglo-Amerikaans recht t.o.v. Belgisch recht
• Klassieke indeling in rechtsfamilies:
o Europees-continentale rechtsstelsels of de civil law-groep
§ Romaanse rechtsstelsels (Frans recht)
§ Germaanse rechtsstelsels (Duits recht) “westerse
§ (Noordse of Scandinavische rechtsstelsels) rechtsstelsels”
§ (Slavische rechtsstelsels)
o Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels of de common law-groep
o Religieuze rechtsstelsels
o Oosterse rechtsstelsels
o Chtonische rechtsstelsels
o (Socialistische rechtsstelsels)
→ Relatief (!), onderhevig aan evolutie en meerlagig
2
,Ivana Raspudic 2021-2022
1. Historische context
1.1. Onderdeel van het (West-)Romeinse rijk:
• Initieel gebruiken en gewoonten van de verschillende Keltische volksstammen
o Er waren verschillende stammen
o In Frankrijk van toen waren er verschillende Keltische volksstammen -> recht:
gebruiken en gewoonten van die verschillende stammen, versnipperd
• Nadien quasi-universele toepassing van het Romeinse recht
o °Romeinen die Europese stammen hebben overheerst
o Alles wat Frankrijk is viel meer bepaald onder het (West)Romeinse rijk
o Hierdoor werd romeinse recht belangrijker-> universele toepassing van Romeinse
recht
1.2. 476: val van het West-Romeinse rijk
• Verbrokkeling van het grondgebied en van het recht
o Noorden: Romeins recht wordt grotendeels verdrongen door het Bourgondische,
Frankische en Normandische gewoonterecht
o = pays de droit coutumier
§ Personele toepassing van het recht
§ Toepassing van recht hangt af tot welke stam je behoorde
§ Vnl. mondelinge overlevering, soms opgetekend in teksten
o Zuiden: traditie van het Romeins recht blijft grotendeels bewaard
o = pays de droit écrit
§ Migratie en gemengde huwelijken bemoeilijken de personele toepassing
van het recht
§ Lokale koningen verzamelen de geldende Romeinse regels en geven deze
opnieuw uit in wetboeken
3
, Ivana Raspudic 2021-2022
1.3. 8e-18e eeuw: tijdperk van de Franse Koningen
• 8e-9e eeuw: Karel de Grote herenigde het Frankische (d.i. het West-Romeinse) rijk
o Grote staat heeft het niet lang volgehouden
o Opvolgers Karel de Grote hebben grondgebied verdeeld
• 843: Verdrag van Verdun
o Verdeling van het Frankische rijk
o Creatie van het West-Frankische rijk,
de voorloper van Frankrijk
§ Koninkrijk van Karel de Kale
§ Zie +/- de grenzen tussen
Duitsland en Frankrijk
• 9e-18e eeuw: van feodaliteit naar geleidelijke centralisatie (‘ancien régime’)
o Recht blijft lang zeer verbrokkeld (supra: pays de droit coutumier vs. pays de droit
écrit)
§ Ondersteuning gewoonterecht door Franse Koningen. Bewuste strategie
om afstand te nemen van de Duitse keizers, die steunden op het
Romeinse recht
o Beperkte eenmaking van rechtspraak door de koninklijke rechtbanken
§ Grote invloed van het Parlement de Paris: belangrijkste Franse rechtbank
§ Bevoegd voor grote delen van het grondgebied
§ Interpretatie van de verschillende coutumes in het licht van de eigen
Coutume de Paris
→ Voorzichtige start van rechtseenmaking
§ Rechters gerekruteerd uit advocaten
→ Pragmatische ontwikkeling van het Franse recht (i.t.t. Duits recht:
ontwikkeld door professoren aan universiteiten)
• Frans recht heeft daardoor veel minder RL-> praktisch
o 17e-18e eeuw: grotere koninklijke macht. Wetgevende bevoegdheid d.m.v.
ordonnances
§ Monarchie van goddelijk recht (koning gezalfd te Reims): gezag komt van
boven
§ Wet = wil koning = goddelijke wil (maar voortdurende spanning kerk vs.
koning)
§ Gewoonterecht (droit coutumier) is theoretisch ondergeschikt aan de wet
§ Zo eerste codificaties (bv. handelsrecht, zeerecht)
4
Inhoudsopgave
0. Inleidend college......................................................................................................................................... 2
1. Waarom een vak ‘Buitenlandse rechtsstelsels’? ............................................................................................. 2
2. Overzicht en selectie buitenlandse rechtsstelsels ........................................................................................... 2
1. Historische context ..................................................................................................................................... 3
1.1. Onderdeel van het (West-)Romeinse rijk: .................................................................................................... 3
1.2. 476: val van het West-Romeinse rijk ........................................................................................................... 3
1.3. 8e-18e eeuw: tijdperk van de Franse Koningen ............................................................................................ 4
1.4. 1789: Franse revolutie (1789) tot 1958 ....................................................................................................... 5
1.5. 1958: 5e Republiek (huidige regime) ........................................................................................................... 6
2. Rechtsbronnen ........................................................................................................................................... 7
2.1. Overzicht van de rechtsbronnen .................................................................................................................. 7
1) Grondwet (Constitution) ............................................................................................................................ 7
2) Wetgeving ................................................................................................................................................ 10
3) Rechtspraak ............................................................................................................................................. 12
2.2. Hiërarchie der normen ............................................................................................................................... 14
3. Staatstructuren en instellingen ................................................................................................................. 18
3.0. Scheiding der machten ligt aan de basis van de Franse staatsstructuur ................................................... 18
3.1. De wetgevende macht ............................................................................................................................... 19
1) Bicameraal stelsel (const., art. 24)........................................................................................................... 19
2) Domaine de la loi ..................................................................................................................................... 21
3) Loi organique ........................................................................................................................................... 25
4) Wetgevend proces ................................................................................................................................... 25
3.2. De uitvoerende macht ............................................................................................................................... 30
Samenstelling............................................................................................................................................... 30
1) President de la république....................................................................................................................... 31
2) Rol en bevoegdheden van de president .................................................................................................. 36
3) De Regering (Gouvernement): 2de deel uitvoerende macht .................................................................. 39
4) Verhouding tussen de machten ............................................................................................................... 40
3.3. Het gerechtelijk systeem ............................................................................................................................ 42
1) Inleiding ................................................................................................................................................... 42
2) Ordre judiciaire ........................................................................................................................................ 43
3) Andere rechtscolleges ............................................................................................................................. 45
4) Ordre administratif .................................................................................................................................. 47
5) Herziening van de grondwet .................................................................................................................... 53
3.4. Rechterlijke macht: .................................................................................................................................... 56
1) Jurisdictioneel dualisme: twee afzonderlijke rechtsordes (cf. België) ..................................................... 56
2) Kenmerken van de ordre judiciaire ......................................................................................................... 61
3) 4 hoogste rechtbanken ............................................................................................................................ 62
4. Capita selecta: Laïcité ............................................................................................................................... 64
4.1. Begrip laïcité .............................................................................................................................................. 64
4.2. Verbod op het bedekken van het gezicht in de publieke ruimte ................................................................ 69
1
,Ivana Raspudic 2021-2022
0. Inleidend college
1. Waarom een vak ‘Buitenlandse rechtsstelsels’?
• Er is veel meer dan enkel Belgisch recht
• Veel sneller in contact komen met andere landen
-> Europa
• Invloed buitenlands recht op Belgisch recht
• Context internationalisering en toenemende
mobiliteit
o Belang van Europees recht. Wisselwerking tussen nationaal en supranationaal
recht
o Eenmaking en harmonisatie (dwingend of als model)
o Toepassing buitenlands recht (bv. IPR)
• Jurist zijn = kritisch het recht in vraag durven stellen
o Creatieve oplossingen en inspiratie zoeken
o Bewust zijn van de relativiteit van het recht
• Rechtsvergelijkend onderzoek VERGELIJKBAARHEID
2. Overzicht en selectie buitenlandse rechtsstelsels
Vergelijkbaarheid Frans, Duits en Anglo-Amerikaans recht t.o.v. Belgisch recht
• Klassieke indeling in rechtsfamilies:
o Europees-continentale rechtsstelsels of de civil law-groep
§ Romaanse rechtsstelsels (Frans recht)
§ Germaanse rechtsstelsels (Duits recht) “westerse
§ (Noordse of Scandinavische rechtsstelsels) rechtsstelsels”
§ (Slavische rechtsstelsels)
o Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels of de common law-groep
o Religieuze rechtsstelsels
o Oosterse rechtsstelsels
o Chtonische rechtsstelsels
o (Socialistische rechtsstelsels)
→ Relatief (!), onderhevig aan evolutie en meerlagig
2
,Ivana Raspudic 2021-2022
1. Historische context
1.1. Onderdeel van het (West-)Romeinse rijk:
• Initieel gebruiken en gewoonten van de verschillende Keltische volksstammen
o Er waren verschillende stammen
o In Frankrijk van toen waren er verschillende Keltische volksstammen -> recht:
gebruiken en gewoonten van die verschillende stammen, versnipperd
• Nadien quasi-universele toepassing van het Romeinse recht
o °Romeinen die Europese stammen hebben overheerst
o Alles wat Frankrijk is viel meer bepaald onder het (West)Romeinse rijk
o Hierdoor werd romeinse recht belangrijker-> universele toepassing van Romeinse
recht
1.2. 476: val van het West-Romeinse rijk
• Verbrokkeling van het grondgebied en van het recht
o Noorden: Romeins recht wordt grotendeels verdrongen door het Bourgondische,
Frankische en Normandische gewoonterecht
o = pays de droit coutumier
§ Personele toepassing van het recht
§ Toepassing van recht hangt af tot welke stam je behoorde
§ Vnl. mondelinge overlevering, soms opgetekend in teksten
o Zuiden: traditie van het Romeins recht blijft grotendeels bewaard
o = pays de droit écrit
§ Migratie en gemengde huwelijken bemoeilijken de personele toepassing
van het recht
§ Lokale koningen verzamelen de geldende Romeinse regels en geven deze
opnieuw uit in wetboeken
3
, Ivana Raspudic 2021-2022
1.3. 8e-18e eeuw: tijdperk van de Franse Koningen
• 8e-9e eeuw: Karel de Grote herenigde het Frankische (d.i. het West-Romeinse) rijk
o Grote staat heeft het niet lang volgehouden
o Opvolgers Karel de Grote hebben grondgebied verdeeld
• 843: Verdrag van Verdun
o Verdeling van het Frankische rijk
o Creatie van het West-Frankische rijk,
de voorloper van Frankrijk
§ Koninkrijk van Karel de Kale
§ Zie +/- de grenzen tussen
Duitsland en Frankrijk
• 9e-18e eeuw: van feodaliteit naar geleidelijke centralisatie (‘ancien régime’)
o Recht blijft lang zeer verbrokkeld (supra: pays de droit coutumier vs. pays de droit
écrit)
§ Ondersteuning gewoonterecht door Franse Koningen. Bewuste strategie
om afstand te nemen van de Duitse keizers, die steunden op het
Romeinse recht
o Beperkte eenmaking van rechtspraak door de koninklijke rechtbanken
§ Grote invloed van het Parlement de Paris: belangrijkste Franse rechtbank
§ Bevoegd voor grote delen van het grondgebied
§ Interpretatie van de verschillende coutumes in het licht van de eigen
Coutume de Paris
→ Voorzichtige start van rechtseenmaking
§ Rechters gerekruteerd uit advocaten
→ Pragmatische ontwikkeling van het Franse recht (i.t.t. Duits recht:
ontwikkeld door professoren aan universiteiten)
• Frans recht heeft daardoor veel minder RL-> praktisch
o 17e-18e eeuw: grotere koninklijke macht. Wetgevende bevoegdheid d.m.v.
ordonnances
§ Monarchie van goddelijk recht (koning gezalfd te Reims): gezag komt van
boven
§ Wet = wil koning = goddelijke wil (maar voortdurende spanning kerk vs.
koning)
§ Gewoonterecht (droit coutumier) is theoretisch ondergeschikt aan de wet
§ Zo eerste codificaties (bv. handelsrecht, zeerecht)
4