100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Biologie Nectar Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 7 Gedrag en Populaties

Rating
-
Sold
-
Pages
6
Uploaded on
01-12-2022
Written in
2020/2021

Samenvatting van Nectar Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 7 Biologie

Level
Course









Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Secondary school
Level
Course
School year
4

Document information

Uploaded on
December 1, 2022
Number of pages
6
Written in
2020/2021
Type
Summary

Subjects

Content preview

Biologie toets H1/H7


1.1
Gedrag
= alles wat een mens of dier doet of nalaat.
Inwendige prikkel
= een prikkel die van binnenuit het dier komt. Voorbeelden: hormonen, honger- en dorstgevoel.
Uitwendige prikkel
= een prikkel die van buitenaf komt. Voorbeelden: bewegingen, geur en geluiden.
Motiverende factoren
= een combinatie van in- en uitwendige prikkels.
Motivatie
= bereidheid om een gedrag uit te voeren. Elke prikkel verhoogt de motivatie.
Drempelwaarde
= de hoogte van de motivatie die nodig is om tot bepaald gedrag over te gaan.
Gedragssysteem
= samenhangende onderdelen van een bepaald gedragstype.
Voorbeeld: voedingsgedrag  eten.
Gedragselement
= onderdeel van een bepaald gedragssysteem. Voorbeeld: eten
 kauwen.
Gedragsketen
= vaste volgorde van gedragselementen die een gedragssysteem
vormen. Voorbeeld: eten  afbijten, kauwen, slikken.
Natuurlijk gedrag
= gedrag dat een bepaalde diersoort in het wild vertoont.

1.2
Ethogram
= lijst met al het geobserveerd gedrag van één dier in een
bepaalde periode. Elk gedragselement is objectief
omschreven.
Protocol
= tabel die vertelt hoe vaak gedragselementen voorkomen
gedurende een bepaalde tijd.
Antropomorf
= een subjectieve omschrijving gebaseerd op menselijke
emoties.
Gerdragsonderzoek:
1. Beschrijvend onderzoek
= onderzoek waarbij de onderzoeker de omstandigheden niet beïnvloedt.
2. Experimenteel onderzoek
= onderzoek waarbij de onderzoeker de invloed van een variabele onderzoekt.
Sleutelprikkel
= een essentiële prikkel, waarop altijd hetzelfde gedrag volgt.
Supernormale prikkel
= een overdreven sleutelprikkel, die een extra sterke respons oproept.
Gevoelige periode
= periode waarin een dier gevoelig is bepaalde zaken te leren. Voorbeeld: leren wie zijn moeder is.
Inprenting
= leren van gedrag in een gevoelige periode.
Associatief leren
= een bepaalde prikkel koppelen aan een andere prikkel (die niet wordt waargenomen). Voorbeeld:
horen dat de voorraadkast opengaat  er komt eten in mijn bakje.
1

, Biologie toets H1/H7


1.3
Signalen
= prikkels met informatie voor soortgenoten.
Rituelen
= een gedragsketen vaak in een vaste volgorde, waarbij de gedragselementen hun functie hebben
verloren. Deze gedragselementen hebben alleen nog een symbolische betekenis voor soortgenoten.
Voorbeeld: iemand een hand geven.
Balts
= ritueel gedrag dat leidt tot paringsgedrag.
Conflictgedrag
= gedrag dat optreedt wanneer een mens of dier prikkels ontvangt die leiden tot twee verschillende
typen gedrag.
1. Ambivalent gedrag
= conflictgedrag waarbij twee tegengestelde gedragselementen elkaar afwisselen.
2. Omgericht gedrag
= conflictgedrag waarbij de agressie van het ene gedragssysteem zich richt op iets heel
anders.
3. Overspronggedrag
= conflictgedrag dat overgaat in heel ander gedrag, dat niet bij de situatie past.
Dreiggedrag
= gedrag waarbij dieren een agressieve houding naar een ander aannemen zonder direct aan te
vallen. Hiermee probeert een dier een gevecht te voorkomen.
Territorium
= het gebied dat dieren verdedigen tegen soortgenoten.

1.4
Aangeboren gedrag
= gedrag dat je vanaf de geboorte al vertoont. Voorbeelden: eten, poepen en schrikken van harde
geluiden.
Aangeleerd gedrag
= gedrag dat je hebt moeten leren. Aangeleerd gedrag:
Gewenning 1. Gewenning
= leren om niet langer te reageren op een bepaalde prikkel 2. Inprenting
3. Imitatie
(afleren te reageren). Voorbeeld: afleren om te schrikken van
4. Associatief leren (klassieke en
een trein die vlak achter je huis langs dendert. operante conditionering/trial-
Imitatie and-error)
= leren door na te doen.
Associatief leren (1.2):
1. Klassieke conditionering
= leren waarbij dieren een verband leggen tussen
twee verschillende prikkels. De ene prikkel betekent
dat het dier een volgende prikkel verwacht.
Voorbeeld: het horen van een belletje  speeksel
produceren.
2. Operante conditionering
= leren door middel van beloningen en straffen. Bij
een bepaald gedrag verwacht het dier een
beloning/straf. Er wordt een verband gelegd tussen
twee verschillende gebeurtenissen.
3. Trial-and-error (proefondervindelijk leren)
= leren door te blijven proberen totdat het lukt.


2
$7.84
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
nathaliederoos

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
nathaliederoos
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
0
Member since
3 year
Number of followers
0
Documents
8
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions