Week 1 : introductie verkeersveiligheid en ruimtelijke ordening
Verschillende soorten ongevallen
- Verkeersongeval
Verkeer op openbare weg
Schade aan objecten/letsel aan personen
Ten minst één rijdend voertuig betrokken
- Eenzijdig verkeersongeval
Geen andere verkeersdeelnemers en geen objecten betrokken
- Enkelvoudig verkeersongeval
Geen andere verkeersdeelnemers, soms ook objecten of dieren betrokken.
- Letselongeval
1 of meer personen letsel
- Werkelijke omvang ernstig verkeersgewonden/doden is niet exact vast te leggen
- Werkelijke aantallen worden bepaald doormiddel van registraties uit 2 bronnen (BRON en
LBZ
Hoe wordt het risico bepaald?
Het risico wordt geplaats in perspectief > aantallen slachtoffers in relatie tot de afgelegde afstand
Mobiliteit: verplaatsen van de ene plek naar de andere plek.
De mobiliteit neemt toe, we gaan steeds verder wonen.
Waar komt de toenemende mobiliteit door?
- Demografie
- Sociaal cultureel: individualisering + emancipatie
- Economie
- Ruimtelijke Ordening
Verkeer
Waar dient verkeer voor?
- Verkeer heeft een stroomfunctie: zo snel mogelijk verplaatsen van de ene plek naar de andere plek
- Verkeer heeft een uitwisselfunctie: van het ene systeem naar het andere systeem (vervoer-werk)
In een uitwisselingsgebied moet een zo laag mogelijke snelheid gehanteerd worden, want veilig.
Wat maakt verkeer risicovol?
- Hoge snelheid
- Massa- en snelheidsverschil
- Fysieke kwetsbaarheid
1. Hoge snelheid
Bij een hoge snelheid hebben bestuurders van motorvoertuigen minder tijd om tot stilstand te
komen. Dit kan een ongeval tot gevolg hebben als er bijvoorbeeld iemand plotseling oversteekt.
Doordat de snelheid hoger is zal de impact ook groter zijn. Hierdoor neemt zoals eerder omschreven
de kans op een dodelijk ongeval toe.
,Snelheid leidt tot 2 elementen:
- Kinetische energie (hoeveelheid energie die in een voertuig zit (raakt niet verloren)) >snelheid
hoger = energie hoger > kans op een ongeval neemt toe.
- Kansaspect >Hogere snelheid geeft een langere remweg en korter herstelvermogen
> kans op een ongeval neemt toe.
Snelheidsbeheersing:
- Vaststellen veilige snelheden en veilige limieten
- Zorgen voor geloofwaardige limieten
- Goede informatie over het snelheidslimiet
- Plaatsen van snelheidsremmers (drempels)
- Gericht politietoezicht
- Voorlichting en educatie
- ISA
2. Verschil in massa:
Een groot verschil tussen motorvoertuigen kan grote risico’s met zich meebrengen. Als een
vrachtwagen een ongeluk heeft met bijvoorbeeld een invalide auto, is de schade veel groter dan als
dit gebeurt met een personenauto.
3. Fysieke kwetsbaarheid:
Bestuurders van personenauto’s zijn relatief veilig als ze zich in een ongeluk bevinden. Dit komt
doordat personenauto’s uitgevoerd zijn met veiligheidsmiddelen zoals airbags en kooiconstructies .
Brom- en snorfietsers hebben deze niet en zijn daardoor een stuk kwetsbaarder.
Wat beïnvloedt mogelijkerwijs de toename van het aantal verkeersdoden?
- Toename aantal kilometers afgelegd door motorvoertuigen
- Vergrijzing
- Toename mobiliteit minder ervaren bestuurders
- Toename gebruik mobiele telefoons en andere apparatuur
Ruimtelijke ordening en externe veiligheid
Ruimtelijke ordening: De inrichting van de openbare ruimte
Externe veiligheid: Invloed op de omgeving.
Gevaarlijke stoffen:
- Eigenschap van stof geeft risico > dus altijd restrisico
- Effecten kunnen groot zijn
- Afstand houden helpt! > vaak te weinig ruimte (Nederland)
Standaardscenario’s: Manieren hoe het mis kan gaan.
- (Plas)Brand > Warmtestraling, rookontwikkeling
- Explosie > Overdruk
- Gifwolk > Vergiftiging
- Bleve > Hittestraling, overdruk
- Verontreiniging > Lucht, water bodem
, ALARA = As Low As Reasonably Achievable
1 op 1.000.000
Basis Externe veiligheid:
- Benadering: 100% veiligheid is onmogelijk, altijd (klein) restrisico!
- Grote mogelijke effecten > ‘Kleine Kans, Groot gevolg’ risico’s (KKGG)
Beheersen van risico’s externe veiligheid:
1. Effect beperken door afstand te nemen tot risicovolle activiteiten
2. Kans beperken ontstaan van ongevallen
Twee maatstaven > twee manieren om te meten
Plaatsgebonden risico (PR)
- Norm: kans dat 1 persoon overlijdt is kleiner dan 1 op miljoen
Grenswaarde > 1 op de 1.000.000/jaar. Harde norm om ‘kwetsbare objecten’ niet te bouwen hierin
Richtwaarde > 1 op de 1.000.000/jaar. Bouwen mag, maar gemotiveerd (niet kwetsbaar)
Groepsrisico (GR)
- Norm: Meerdere slachtoffers in één keer bij een ongeval (10,100,1000 mensen in 1 keer)
- ’10 x 1 slachtoffer is ‘meer acceptabel’ dan ‘1 x 10 slachtoffers’
Oriëntatiewaarde > deze waarde wordt niet weergegeven door een getal, maar door een lijn
Altijd verantwoording nodig bij aanvraag vergunning!
Zoeken naar ‘slimme’ reductie risico’s (zoals beter evacuatie, preparatie ongevallen,
communicatie, stevigere gebouwen etc.)
Weergegeven met Fn-curve, niet op plattegrond
Stel dat er toch een ongeval plaatsvindt? Op
welke afstand zal 1% van de aanwezig mensen
sterven
Basis ruimtelijke ordening :
Waar bouw je nu het beste woningen, fabrieken, infrastructuur?
- Het moet een oplossing bieden (woningnood, economie, milieu)
- Het moet aansluiten op de doelstelling van de overheid
- Het moet passen in de omgeving
- Het moet aan de wet voldoen
- Het moet óók nog veilig
Verschillende soorten ongevallen
- Verkeersongeval
Verkeer op openbare weg
Schade aan objecten/letsel aan personen
Ten minst één rijdend voertuig betrokken
- Eenzijdig verkeersongeval
Geen andere verkeersdeelnemers en geen objecten betrokken
- Enkelvoudig verkeersongeval
Geen andere verkeersdeelnemers, soms ook objecten of dieren betrokken.
- Letselongeval
1 of meer personen letsel
- Werkelijke omvang ernstig verkeersgewonden/doden is niet exact vast te leggen
- Werkelijke aantallen worden bepaald doormiddel van registraties uit 2 bronnen (BRON en
LBZ
Hoe wordt het risico bepaald?
Het risico wordt geplaats in perspectief > aantallen slachtoffers in relatie tot de afgelegde afstand
Mobiliteit: verplaatsen van de ene plek naar de andere plek.
De mobiliteit neemt toe, we gaan steeds verder wonen.
Waar komt de toenemende mobiliteit door?
- Demografie
- Sociaal cultureel: individualisering + emancipatie
- Economie
- Ruimtelijke Ordening
Verkeer
Waar dient verkeer voor?
- Verkeer heeft een stroomfunctie: zo snel mogelijk verplaatsen van de ene plek naar de andere plek
- Verkeer heeft een uitwisselfunctie: van het ene systeem naar het andere systeem (vervoer-werk)
In een uitwisselingsgebied moet een zo laag mogelijke snelheid gehanteerd worden, want veilig.
Wat maakt verkeer risicovol?
- Hoge snelheid
- Massa- en snelheidsverschil
- Fysieke kwetsbaarheid
1. Hoge snelheid
Bij een hoge snelheid hebben bestuurders van motorvoertuigen minder tijd om tot stilstand te
komen. Dit kan een ongeval tot gevolg hebben als er bijvoorbeeld iemand plotseling oversteekt.
Doordat de snelheid hoger is zal de impact ook groter zijn. Hierdoor neemt zoals eerder omschreven
de kans op een dodelijk ongeval toe.
,Snelheid leidt tot 2 elementen:
- Kinetische energie (hoeveelheid energie die in een voertuig zit (raakt niet verloren)) >snelheid
hoger = energie hoger > kans op een ongeval neemt toe.
- Kansaspect >Hogere snelheid geeft een langere remweg en korter herstelvermogen
> kans op een ongeval neemt toe.
Snelheidsbeheersing:
- Vaststellen veilige snelheden en veilige limieten
- Zorgen voor geloofwaardige limieten
- Goede informatie over het snelheidslimiet
- Plaatsen van snelheidsremmers (drempels)
- Gericht politietoezicht
- Voorlichting en educatie
- ISA
2. Verschil in massa:
Een groot verschil tussen motorvoertuigen kan grote risico’s met zich meebrengen. Als een
vrachtwagen een ongeluk heeft met bijvoorbeeld een invalide auto, is de schade veel groter dan als
dit gebeurt met een personenauto.
3. Fysieke kwetsbaarheid:
Bestuurders van personenauto’s zijn relatief veilig als ze zich in een ongeluk bevinden. Dit komt
doordat personenauto’s uitgevoerd zijn met veiligheidsmiddelen zoals airbags en kooiconstructies .
Brom- en snorfietsers hebben deze niet en zijn daardoor een stuk kwetsbaarder.
Wat beïnvloedt mogelijkerwijs de toename van het aantal verkeersdoden?
- Toename aantal kilometers afgelegd door motorvoertuigen
- Vergrijzing
- Toename mobiliteit minder ervaren bestuurders
- Toename gebruik mobiele telefoons en andere apparatuur
Ruimtelijke ordening en externe veiligheid
Ruimtelijke ordening: De inrichting van de openbare ruimte
Externe veiligheid: Invloed op de omgeving.
Gevaarlijke stoffen:
- Eigenschap van stof geeft risico > dus altijd restrisico
- Effecten kunnen groot zijn
- Afstand houden helpt! > vaak te weinig ruimte (Nederland)
Standaardscenario’s: Manieren hoe het mis kan gaan.
- (Plas)Brand > Warmtestraling, rookontwikkeling
- Explosie > Overdruk
- Gifwolk > Vergiftiging
- Bleve > Hittestraling, overdruk
- Verontreiniging > Lucht, water bodem
, ALARA = As Low As Reasonably Achievable
1 op 1.000.000
Basis Externe veiligheid:
- Benadering: 100% veiligheid is onmogelijk, altijd (klein) restrisico!
- Grote mogelijke effecten > ‘Kleine Kans, Groot gevolg’ risico’s (KKGG)
Beheersen van risico’s externe veiligheid:
1. Effect beperken door afstand te nemen tot risicovolle activiteiten
2. Kans beperken ontstaan van ongevallen
Twee maatstaven > twee manieren om te meten
Plaatsgebonden risico (PR)
- Norm: kans dat 1 persoon overlijdt is kleiner dan 1 op miljoen
Grenswaarde > 1 op de 1.000.000/jaar. Harde norm om ‘kwetsbare objecten’ niet te bouwen hierin
Richtwaarde > 1 op de 1.000.000/jaar. Bouwen mag, maar gemotiveerd (niet kwetsbaar)
Groepsrisico (GR)
- Norm: Meerdere slachtoffers in één keer bij een ongeval (10,100,1000 mensen in 1 keer)
- ’10 x 1 slachtoffer is ‘meer acceptabel’ dan ‘1 x 10 slachtoffers’
Oriëntatiewaarde > deze waarde wordt niet weergegeven door een getal, maar door een lijn
Altijd verantwoording nodig bij aanvraag vergunning!
Zoeken naar ‘slimme’ reductie risico’s (zoals beter evacuatie, preparatie ongevallen,
communicatie, stevigere gebouwen etc.)
Weergegeven met Fn-curve, niet op plattegrond
Stel dat er toch een ongeval plaatsvindt? Op
welke afstand zal 1% van de aanwezig mensen
sterven
Basis ruimtelijke ordening :
Waar bouw je nu het beste woningen, fabrieken, infrastructuur?
- Het moet een oplossing bieden (woningnood, economie, milieu)
- Het moet aansluiten op de doelstelling van de overheid
- Het moet passen in de omgeving
- Het moet aan de wet voldoen
- Het moet óók nog veilig