WEEK 1 – BEGRIJPEN VAN TEKSTEN
Artikelen:
- Zwaan, R.A. & Rapp, D.N. (2006). Discourse comprehension.
Ondersteunende literatuur:
- A., Van den Broek, P., Van Moort, M., Van den Bosch, l., De Bruine, A. Begrijpend lezen.
Begrijpend lezen vanuit een cognitief perspectief. Hoe komen lezers tot begrip?
Opbouwen van coherente mentale representaties tijdens het lezen van een tekst.
Deel 1. Het belang van begrijpend lezen
- Begripsvorming via teksten vindt plaats in allerlei vormen en kan variëren in juistheid en
betrouwbaarheid.
- Coherente mentale representatie van tekstuele informatie is essentieel voor goed tekstbegrip.
- Een goed tekstbegrip is de basis voor veel vaardigheden die te maken hebben met het verwerken
van tekstuele informatie
Het product van begrijpend lezen is een mentale representatie van de tekst bewerking (re-
presentatie) van de betekenis van de tekst die lezers opbouwen tijdens het lezen en die hun begrip
van de tekst weergeeft.
Coherente mentale representatie = netwerk van stukjes informatie die
door de lezer met elkaar in verband worden gebracht tussen delen van de
tekst en tussen de tekst en achtergrondkennis. Zwarte rondjes = stukjes
informatie uit de tekst. Rood gestippelde rondjes = informatie uit
achtergrondkennis.
Verschillende niveaus linguïstische verwerking van laag naar hoog:
1. Visuele informatie omzetten in herkenbare patronen (letters en
woorden).
2. Woorden identificeren en hun betekenis activeren (semantiek)
3. De grammaticale structuur van de zinnen identificeren (syntax)
4. Verbanden leggen tussen de verschillende delen in de tekst en tussen
informatie uit de tekst en achtergrondkennis.
5. Lezers moeten reflecteren op de inhoud van een tekst en deze afzetten tegen de inhoud van een
andere tekst of eerder opgedane kennis.
Gaat alles goed? Dan heb je een coherente mentale representatie van de tekst. Maar er kan veel
misgaan….
Via een combinatie van automatische en strategische processen bouwen lezers stap voor stap een
mentale representatie van een tekst op. Elk nieuwe stukje informatie roept associaties op uit het
geheugen van een lezer uit informatie uit de tekst maar ook met achtergrondkennis. Associaties
zijn heel waardevol en kosten weinig moeite en kunnen voor de lezer ‘samenhang’ veroorzaken. Fake
news of misconcepties kunnen echter leiden tot foutieve associaties en leiden tot een suboptimaal
begrip. Dit zijn allemaal voorbeelden van automatische processen.
Doelbewuste, strategische processen voor begripsvorming:
- Herlezen van een zin
- Opzoeken van betekenissen, termen, concepten
- Expliciet reflecteren op de tekst
, - Maken van notities
Wat er wordt opgeslagen in de mentale representatie van de tekst hangt dus sterk af van de
begripsprocessen tijdens het lezen, de achtergrondkennis en de basale leesvaardigheden van de
lezer.
Een essentieel proces tijdens het lezen voor begrip is het leggen van verbanden.
Dit simpele voorbeeld geeft het belang van het leggen van verbanden aan, maar illustreert ook dat
er verbanden gelegd moeten worden ook al zijn we ons daar als geoefende lezer vaak niet bewust
van.
- 1) het woord “haar” in de tweede zin verwijst naar “de vrouw” in de eerste zin (referentieel
verband)
- 2) de vrouw krijgt een boete omdat ze geen geldig vervoersbewijs heeft (causaal verband)
- 3) deze situatie speelt zich af in het openbaar vervoer. Dit komt uit de achtergrondkennis van de
lezer, want dit staat niet expliciet in de tekst (verband tussen de tekst en achtergrondkennis).
Drie belangrijke factoren die begrijpend leesprocessen beïnvloeden:
- (1) de cognitieve capaciteit van de lezer,
- (2) kenmerken van de tekst en
- (3) de betrokkenheid van de lezer bij de tekst.
Factor 1: de (beperkte) cognitieve capaciteit van de lezer
- Begripsprocessen vinden plaats binnen de cognitieve capaciteit (werkgeheugen) capaciteit is
beperkt!
- Je kunt maar een beperkte hoeveelheid informatie tegelijkertijd actief houden in het
werkgeheugen. Twee gevolgen voor succesvol tekstbegrip:
o Lezers moeten werkgeheugen selectief en zinvol benutten aandacht richten op
informatie die belangrijk is voor en niet-relevante informatie achterwege laten.
o Basale leerprocessen (zoals decoderen van eenvoudige woorden en begripsprocessen) moet
geautomatiseerd zijn zodat er meer capaciteit is voor hogere orde processen (verbanden
leggen).
Factor 2: kenmerken van de tekst
- Cognitieve processen die een lezer gebruikt zijn ook afhankelijk van de tekst.
- Begripsvorming is afhankelijk van de interactie tussen lezers- en tekstkenmerken
- Slechte teksten vergen extra cognitieve capaciteit en zetten de motivatie van de lezer onder
druk.
- Tekstkenmerken als de opmaak en de structuur van teksten kunnen
cognitieve overload voorkomen en het leggen van verbanden faciliteren. Ook signaalwoorden en
verbindingswoorden kunnen de lezer mentaal werk besparen.
Factor 3: de betrokkenheid bij de lezer.
- De kennis van lezers over wat goed begrip is en hun betrokkenheid bij de tekst — o.a. afhankelijk
van het leesdoel en de motivatie voor lezen — bepalen voor een groot deel in hoeverre zij
strategische processen gebruiken.
- Hoe meer aandacht/tijd een lezer besteedt aan deze processen, hoe dieper het begrip.
Artikelen:
- Zwaan, R.A. & Rapp, D.N. (2006). Discourse comprehension.
Ondersteunende literatuur:
- A., Van den Broek, P., Van Moort, M., Van den Bosch, l., De Bruine, A. Begrijpend lezen.
Begrijpend lezen vanuit een cognitief perspectief. Hoe komen lezers tot begrip?
Opbouwen van coherente mentale representaties tijdens het lezen van een tekst.
Deel 1. Het belang van begrijpend lezen
- Begripsvorming via teksten vindt plaats in allerlei vormen en kan variëren in juistheid en
betrouwbaarheid.
- Coherente mentale representatie van tekstuele informatie is essentieel voor goed tekstbegrip.
- Een goed tekstbegrip is de basis voor veel vaardigheden die te maken hebben met het verwerken
van tekstuele informatie
Het product van begrijpend lezen is een mentale representatie van de tekst bewerking (re-
presentatie) van de betekenis van de tekst die lezers opbouwen tijdens het lezen en die hun begrip
van de tekst weergeeft.
Coherente mentale representatie = netwerk van stukjes informatie die
door de lezer met elkaar in verband worden gebracht tussen delen van de
tekst en tussen de tekst en achtergrondkennis. Zwarte rondjes = stukjes
informatie uit de tekst. Rood gestippelde rondjes = informatie uit
achtergrondkennis.
Verschillende niveaus linguïstische verwerking van laag naar hoog:
1. Visuele informatie omzetten in herkenbare patronen (letters en
woorden).
2. Woorden identificeren en hun betekenis activeren (semantiek)
3. De grammaticale structuur van de zinnen identificeren (syntax)
4. Verbanden leggen tussen de verschillende delen in de tekst en tussen
informatie uit de tekst en achtergrondkennis.
5. Lezers moeten reflecteren op de inhoud van een tekst en deze afzetten tegen de inhoud van een
andere tekst of eerder opgedane kennis.
Gaat alles goed? Dan heb je een coherente mentale representatie van de tekst. Maar er kan veel
misgaan….
Via een combinatie van automatische en strategische processen bouwen lezers stap voor stap een
mentale representatie van een tekst op. Elk nieuwe stukje informatie roept associaties op uit het
geheugen van een lezer uit informatie uit de tekst maar ook met achtergrondkennis. Associaties
zijn heel waardevol en kosten weinig moeite en kunnen voor de lezer ‘samenhang’ veroorzaken. Fake
news of misconcepties kunnen echter leiden tot foutieve associaties en leiden tot een suboptimaal
begrip. Dit zijn allemaal voorbeelden van automatische processen.
Doelbewuste, strategische processen voor begripsvorming:
- Herlezen van een zin
- Opzoeken van betekenissen, termen, concepten
- Expliciet reflecteren op de tekst
, - Maken van notities
Wat er wordt opgeslagen in de mentale representatie van de tekst hangt dus sterk af van de
begripsprocessen tijdens het lezen, de achtergrondkennis en de basale leesvaardigheden van de
lezer.
Een essentieel proces tijdens het lezen voor begrip is het leggen van verbanden.
Dit simpele voorbeeld geeft het belang van het leggen van verbanden aan, maar illustreert ook dat
er verbanden gelegd moeten worden ook al zijn we ons daar als geoefende lezer vaak niet bewust
van.
- 1) het woord “haar” in de tweede zin verwijst naar “de vrouw” in de eerste zin (referentieel
verband)
- 2) de vrouw krijgt een boete omdat ze geen geldig vervoersbewijs heeft (causaal verband)
- 3) deze situatie speelt zich af in het openbaar vervoer. Dit komt uit de achtergrondkennis van de
lezer, want dit staat niet expliciet in de tekst (verband tussen de tekst en achtergrondkennis).
Drie belangrijke factoren die begrijpend leesprocessen beïnvloeden:
- (1) de cognitieve capaciteit van de lezer,
- (2) kenmerken van de tekst en
- (3) de betrokkenheid van de lezer bij de tekst.
Factor 1: de (beperkte) cognitieve capaciteit van de lezer
- Begripsprocessen vinden plaats binnen de cognitieve capaciteit (werkgeheugen) capaciteit is
beperkt!
- Je kunt maar een beperkte hoeveelheid informatie tegelijkertijd actief houden in het
werkgeheugen. Twee gevolgen voor succesvol tekstbegrip:
o Lezers moeten werkgeheugen selectief en zinvol benutten aandacht richten op
informatie die belangrijk is voor en niet-relevante informatie achterwege laten.
o Basale leerprocessen (zoals decoderen van eenvoudige woorden en begripsprocessen) moet
geautomatiseerd zijn zodat er meer capaciteit is voor hogere orde processen (verbanden
leggen).
Factor 2: kenmerken van de tekst
- Cognitieve processen die een lezer gebruikt zijn ook afhankelijk van de tekst.
- Begripsvorming is afhankelijk van de interactie tussen lezers- en tekstkenmerken
- Slechte teksten vergen extra cognitieve capaciteit en zetten de motivatie van de lezer onder
druk.
- Tekstkenmerken als de opmaak en de structuur van teksten kunnen
cognitieve overload voorkomen en het leggen van verbanden faciliteren. Ook signaalwoorden en
verbindingswoorden kunnen de lezer mentaal werk besparen.
Factor 3: de betrokkenheid bij de lezer.
- De kennis van lezers over wat goed begrip is en hun betrokkenheid bij de tekst — o.a. afhankelijk
van het leesdoel en de motivatie voor lezen — bepalen voor een groot deel in hoeverre zij
strategische processen gebruiken.
- Hoe meer aandacht/tijd een lezer besteedt aan deze processen, hoe dieper het begrip.