Zinsleer
1. Onderwerp
Het onderwerp van de zin kun je omschrijven als: 'degene die of datgene wat iets doet óf degene die
of datgene wat iets is'.
Regel = wie/wat doet iets
Onderwerp = Het zinsdeel dat uitdrukt wie of wat een handeling uitvoert (bij ZWW).
Simon / leest / de krant.//
of dat uitdrukt wie of wat zich in een bepaalde toestand bevindt (bij KWW).
Nu / is / Hasan / ziek.// Straks / wordt / hij / beter.//
Een zin bevat altijd een onderwerp.
2. Persoonsvorm
Het vervoegde werkwoord in de zin
drukt uit wat er ‘gebeurt’,
in welk getal (enkelvoud of meervoud)
in welke tijd.
Regel = stel een Ja/Nee-vraag en het woord dat van voor in de zin staat is de PV
Elvir leest de krant.
Vanavond spelen ze een gezelschapsspel.
Ze werden boos op elkaar.
Elke zin bevat een persoonsvorm.
3. WWG
Het werkwoordelijk gezegde wordt gevormd door alle werkwoorden in een zin. Hier hoort ook de
persoonsvorm bij.
Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel dat aangeeft wat er wordt of is gedaan. Dit zinsdeel is
soms één woord, maar het kan ook uit meerdere woorden bestaan.
Het geeft altijd aan dat iets of iemand iets doet:
1. Onderwerp
Het onderwerp van de zin kun je omschrijven als: 'degene die of datgene wat iets doet óf degene die
of datgene wat iets is'.
Regel = wie/wat doet iets
Onderwerp = Het zinsdeel dat uitdrukt wie of wat een handeling uitvoert (bij ZWW).
Simon / leest / de krant.//
of dat uitdrukt wie of wat zich in een bepaalde toestand bevindt (bij KWW).
Nu / is / Hasan / ziek.// Straks / wordt / hij / beter.//
Een zin bevat altijd een onderwerp.
2. Persoonsvorm
Het vervoegde werkwoord in de zin
drukt uit wat er ‘gebeurt’,
in welk getal (enkelvoud of meervoud)
in welke tijd.
Regel = stel een Ja/Nee-vraag en het woord dat van voor in de zin staat is de PV
Elvir leest de krant.
Vanavond spelen ze een gezelschapsspel.
Ze werden boos op elkaar.
Elke zin bevat een persoonsvorm.
3. WWG
Het werkwoordelijk gezegde wordt gevormd door alle werkwoorden in een zin. Hier hoort ook de
persoonsvorm bij.
Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel dat aangeeft wat er wordt of is gedaan. Dit zinsdeel is
soms één woord, maar het kan ook uit meerdere woorden bestaan.
Het geeft altijd aan dat iets of iemand iets doet: