Woordsoorten
1. Lidwoorden
Een lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord.
- bepaalde lidwoorden = De en Het
- onbepaald lidwoord = Een
De wordt gebruikt bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden, het bij onzijdige
woorden in het enkelvoud.
Enkele voorbeelden:
De vrouw stond in het winderige bushokje te wachten.
Zij werd het wachten beu. (het werkwoord wachten wordt hier gebruikt als zelfstandig
naamwoord)
Een vertraagde bus was wel het laatste waar ze op zat te wachten. (het bijvoeglijk
naamwoord laatste wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
2. Zelfstandige naamwoorden
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten: (het) boek,
(de) ijspret.
- Eigennamen = met hoofdletter, is een naam van iets of iemand
- Aardrijkskundige woorden = zoals Rome
3. Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap of toestand van een ander woord
benoemt. In ‘de rode auto’ is rode een bijvoeglijk naamwoord. Dat geldt ook voor rood in ‘De auto is
rood.’
Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord of
(soms) een persoonlijk voornaamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar
dat hoeft niet. Enkele voorbeelden (het bijvoeglijk naamwoord is gecursiveerd):
- de blonde jongen
- de dronken vrouw
- de ovale tafel
- Fries suikerbrood
1. Lidwoorden
Een lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord.
- bepaalde lidwoorden = De en Het
- onbepaald lidwoord = Een
De wordt gebruikt bij mannelijke en vrouwelijke woorden en bij meervouden, het bij onzijdige
woorden in het enkelvoud.
Enkele voorbeelden:
De vrouw stond in het winderige bushokje te wachten.
Zij werd het wachten beu. (het werkwoord wachten wordt hier gebruikt als zelfstandig
naamwoord)
Een vertraagde bus was wel het laatste waar ze op zat te wachten. (het bijvoeglijk
naamwoord laatste wordt hier gebruikt als zelfstandig naamwoord)
2. Zelfstandige naamwoorden
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten: (het) boek,
(de) ijspret.
- Eigennamen = met hoofdletter, is een naam van iets of iemand
- Aardrijkskundige woorden = zoals Rome
3. Bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord is een woord dat een eigenschap of toestand van een ander woord
benoemt. In ‘de rode auto’ is rode een bijvoeglijk naamwoord. Dat geldt ook voor rood in ‘De auto is
rood.’
Bijvoeglijke naamwoorden geven een eigenschap of toestand aan van een zelfstandig naamwoord of
(soms) een persoonlijk voornaamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak direct voor het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen, maar
dat hoeft niet. Enkele voorbeelden (het bijvoeglijk naamwoord is gecursiveerd):
- de blonde jongen
- de dronken vrouw
- de ovale tafel
- Fries suikerbrood