Cellen komen in verschillende soorten voor:
- Eencellige planten
- Eencellige dieren
- Eencellige bacteriën
- Eencellige schimmels
In meercellige organismen heb je meer soorten en vormen cellen. Mens: 200
verschillende celtypen. Toch hebben veel celtypen wel dezelfde bouw en
kenmerken. Bijvoorbeeld celmembraan.
Celmembraan vliesje die de cel afgrenst van de buitenwereld
Organellen duidelijk te onderscheiden delen van de cel
Cytoplasma een waterige substantie waarin nog meer organellen
rondzweven
Celkern daar ligt het erfelijk materiaal die alles regelt in de cel, niet elk
organisme heeft een celkern. Bijvoorbeeld bacteriën, daar ligt het erfelijk
materiaal dan in het cytoplasma.
In plantencellen liggen vaak één grote of meerdere vacuolen blaasje vol
vocht met daarin opgeloste stoffen. Om vacuolen zit een vacuolemembraan.
Vacuole = een organel. Plastiden zit in plantencellen, een soort korrels.
Plantencellen hebben celwand: die bestaat uit cellulose. Dit hebben dierlijke
cellen niet.
Alle organismen zijn in 4 grote groepen verdeeld:
- Planten
- Dieren
- Schimmels
- Bacteriën
Deze 4 groepen kan je weer verdelen in 8 rijken.
.