Geschiedenis samenvatting H1- Van jagen en verzamelen naar landbouw
KA-1 De levenswijze van jagers en verzamelaars
KA-2 Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
KA-3 Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Paragraaf 1
Prehistorie: tijd waarin niet door of over een volk werd geschreven (-> 3100 v Chr. eerste
schrift (prehistorie eindigde voor dat volk)
Australopithecinen: eerste mensachtigen, leefden 2 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika.
Deze ‘apen’ maakten een andere ontwikkeling door dan andere apen i.v.m.
klimaatverandering (hersenpan groter en beenderen veranderden)
Homo sapiens: mensen
Etnische groep: groep mensen met lichamelijke kenmerken die anders zijn dan bij andere
groepen mensen (zijn erfelijk), de lichamelijke kenmerken zijn de oorzaak van de aanpassing
aan je leefgebied (veel zon -> donkere huid)
Cultuur: het denken en doen van een bepaalde bevolkinsgroep (economie, sociale
omstandigheden, politiek en andere onderdelen als godsdienst, taal, onderwijs &
wetenschap, kunst, rechtspraak en sport)
In de prehistorie verspreidden verschillende groepen zich over de aarde -> ieder met zijn
eigen cultuur en geschiedenis. Ze leefden van het verzamelen van planten en vruchten, van
de jacht en van de visvangst. De meeste groepen waren nomadisch en leefden in de open
lucht, in grotten of in zeer eenvoudige hutten. Ze gebruikten eenvoudige werktuigen
gemaakt van hout, stenen en botten (eg speerpunten, vuistbijlen, schraapstenen)
Veel jagers en verzamelaars geloofden in magie en probeerden hiermee dingen te verklaren
als de wisseling van de seizoenen, leven en dood, dag en nacht, goed en slecht weer)
Paragraaf 2
Geschiedenis kent twee vernieuwingen van enorme betekenis: verzamelen en jagen ->
landbouw, en landbouw -> industrie
7000 v Chr. -> voor het eerst akkerbouw en veeteelt in Midden-Oosten
In het Midden-Oosten, in Mesopotamië, ontdekte men het eerst hoe men door te zaaien het
volgende jaar kon oogsten, ook vonden ze uit dat door bepaalde dieren te temmen en als
‘huisdier’ gebruikt konden worden. Door deze ontdekkingen hoefde men niet meer
nomadisch te leven -> eerste dorpen (-> kleine nederzetting waar de meeste inwoners leven
van akkerbouw en veeteelt). De oogst leverde soms zoveel op dat niet iedereen meer in de
landbouw hoefde te werken -> eerste ambachten. Grote dorpen kregen steeds meer
ambachten -> eerste steden.
In mesopotamië ontstonden langs de rivieren de Eufraat en de Tigris de eerste steden (Oer,
Ninive, Babylon) -> eerste zelfstandig maar politieke leiders slaagden erin gebieden samen te
voegen tot staten (eg Soemerië, Babylonië). In de staten hadden de koningen en priesters de
meeste macht.
3100 v Chr. -> het schrift (Midden-Oosten) -> koningen konden wetten en belastingen
vastleggen en bekendmaken, handelaren konden bijhouden wat ze verkochten en legden
handelsafspraken schriftelijk vast en mensen konden hun gedachtenis opschrijven (-> kennis
bewaren voor de volgende generatie)
Oudste epos (heldendicht): De avonturen van Gilgamesj (uit Mesopotamië)
KA-1 De levenswijze van jagers en verzamelaars
KA-2 Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen
KA-3 Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Paragraaf 1
Prehistorie: tijd waarin niet door of over een volk werd geschreven (-> 3100 v Chr. eerste
schrift (prehistorie eindigde voor dat volk)
Australopithecinen: eerste mensachtigen, leefden 2 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika.
Deze ‘apen’ maakten een andere ontwikkeling door dan andere apen i.v.m.
klimaatverandering (hersenpan groter en beenderen veranderden)
Homo sapiens: mensen
Etnische groep: groep mensen met lichamelijke kenmerken die anders zijn dan bij andere
groepen mensen (zijn erfelijk), de lichamelijke kenmerken zijn de oorzaak van de aanpassing
aan je leefgebied (veel zon -> donkere huid)
Cultuur: het denken en doen van een bepaalde bevolkinsgroep (economie, sociale
omstandigheden, politiek en andere onderdelen als godsdienst, taal, onderwijs &
wetenschap, kunst, rechtspraak en sport)
In de prehistorie verspreidden verschillende groepen zich over de aarde -> ieder met zijn
eigen cultuur en geschiedenis. Ze leefden van het verzamelen van planten en vruchten, van
de jacht en van de visvangst. De meeste groepen waren nomadisch en leefden in de open
lucht, in grotten of in zeer eenvoudige hutten. Ze gebruikten eenvoudige werktuigen
gemaakt van hout, stenen en botten (eg speerpunten, vuistbijlen, schraapstenen)
Veel jagers en verzamelaars geloofden in magie en probeerden hiermee dingen te verklaren
als de wisseling van de seizoenen, leven en dood, dag en nacht, goed en slecht weer)
Paragraaf 2
Geschiedenis kent twee vernieuwingen van enorme betekenis: verzamelen en jagen ->
landbouw, en landbouw -> industrie
7000 v Chr. -> voor het eerst akkerbouw en veeteelt in Midden-Oosten
In het Midden-Oosten, in Mesopotamië, ontdekte men het eerst hoe men door te zaaien het
volgende jaar kon oogsten, ook vonden ze uit dat door bepaalde dieren te temmen en als
‘huisdier’ gebruikt konden worden. Door deze ontdekkingen hoefde men niet meer
nomadisch te leven -> eerste dorpen (-> kleine nederzetting waar de meeste inwoners leven
van akkerbouw en veeteelt). De oogst leverde soms zoveel op dat niet iedereen meer in de
landbouw hoefde te werken -> eerste ambachten. Grote dorpen kregen steeds meer
ambachten -> eerste steden.
In mesopotamië ontstonden langs de rivieren de Eufraat en de Tigris de eerste steden (Oer,
Ninive, Babylon) -> eerste zelfstandig maar politieke leiders slaagden erin gebieden samen te
voegen tot staten (eg Soemerië, Babylonië). In de staten hadden de koningen en priesters de
meeste macht.
3100 v Chr. -> het schrift (Midden-Oosten) -> koningen konden wetten en belastingen
vastleggen en bekendmaken, handelaren konden bijhouden wat ze verkochten en legden
handelsafspraken schriftelijk vast en mensen konden hun gedachtenis opschrijven (-> kennis
bewaren voor de volgende generatie)
Oudste epos (heldendicht): De avonturen van Gilgamesj (uit Mesopotamië)