GEDRAG IN ORGANISATIES COLLEGE
3 FYSIEK – 22 SEPTEMBER
Hoofdstuk 3 en 4 (en deels 2 van college 1)
Diversiteit: verschillen tussen individuen op elke dimensie die leiden tot de
perceptie dat een ander individu verschilt van jezelf
Het is een groepskenmerk
o Deep-level diversiteit, er moet naar gevraagd worden. Persoonlijkheid,
waarden en voorkeuren.
o Surface-level diversiteit, eigenschappen die makkelijk zichtbaar zijn
Belang van diversiteit in een organisatie:
1. Betere afspiegeling van ‘marketplace’. Je kan hierdoor beter voldoen aan
de wensen van de klant
2. Beter gebruik maken van talent
3. Meer creativiteit, innovatie en ‘problem solving’
Diversiteitsmanagement: het proces en de programma’s die door managers
worden gebruikt om iedereen meer bewust te maken van de behoefte en
verschillen van elkaar.
inclusie, gerespecteerd worden, gewaardeerd worden voor wie je bent.
Diversiteit = de losse ingrediënten
Inclusie = de uiteindelijke maaltijd
ATTITUDES HOOFDSTUK 3
Attitudes (houdingen) hebben een bepaalde relaties tot gedrag
= evaluatie statements of beoordelingen met betrekking tot objecten, mensen of
gebeurtenissen
o Cognitief component: mening/geloof (gedeelte van attitude)
o Affectief component: emotie/gevoel (gedeelte van attitude)
o Gedrag ’s component: intentie om op een bepaalde manier te gedragen
naar iemand toe
Voorbeeld:
- GIO college zal mij helpen om een betere manager te worden
- ik ben dol op lezen over GIO
- ik wil extra materiaal lezen over GIO
, Attitude > “ik ben voor sporten”
Subjectieve normen (perceptie die jij hebt over een
bepaald gedrag van belangrijke personen > “mijn
buren gaan naar de sportschool”
Waargenomen gedrags-controle (soort self-
efficacy) “ik kan dit ook makkelijk”
Intentie “volgende week ga ik ook
sporten” doen
Modererende variabelen: randvoorwaarden die het versterken of
afzwakken > bepaald waarschijnlijkheid van gedrag
o Groot/klein belang van attitude
o Groot/kleine toegankelijkheid
o Sociale druk
o Persoonlijke en directe ervaring met attitude (bijv. werken bij sportwinkel)
o Specifieke overeenkomst met gedrag (bijv. doel om gezond te worden is
de kans groter dan als je alleen wilt gaan sporten)
Cognitieve dissonantie < Leon Festiger 1967
o Mensen willen het vervelende gevoel kwijt > terug naar consistentie:
verandering van attitude of gedrag of rationalisatie
Verlangen om dissonantie te verminderen is afhankelijk van:
o Belang van de elementen
o Mate van individuele invloed
o Beloning betrokken bij dissonantie
1 euro beloning was niet genoeg > dus verteld dat het een leuke taak is
Andere reden waarom attitude niet tot gedrag leidt:
1. Presentatie van jezelf/imperssion management, om beter over te komen
2. Zelf-perceptie theorie, attitudes ontwikkelen door hun gedrag te
observeren
3. Organisationele rollen, je gaat je naar je rol gedragen, externe situatie
bepaalt je gedrag (gevangenis)
Major job attitudes
*Voorbeeld van google
Belangrijkste:
- jobsatisfaction = voldoening van werk, een
positief gevoel over het werk, gebaseerd op de
evaluatie van de kenmerken van het werk
3 FYSIEK – 22 SEPTEMBER
Hoofdstuk 3 en 4 (en deels 2 van college 1)
Diversiteit: verschillen tussen individuen op elke dimensie die leiden tot de
perceptie dat een ander individu verschilt van jezelf
Het is een groepskenmerk
o Deep-level diversiteit, er moet naar gevraagd worden. Persoonlijkheid,
waarden en voorkeuren.
o Surface-level diversiteit, eigenschappen die makkelijk zichtbaar zijn
Belang van diversiteit in een organisatie:
1. Betere afspiegeling van ‘marketplace’. Je kan hierdoor beter voldoen aan
de wensen van de klant
2. Beter gebruik maken van talent
3. Meer creativiteit, innovatie en ‘problem solving’
Diversiteitsmanagement: het proces en de programma’s die door managers
worden gebruikt om iedereen meer bewust te maken van de behoefte en
verschillen van elkaar.
inclusie, gerespecteerd worden, gewaardeerd worden voor wie je bent.
Diversiteit = de losse ingrediënten
Inclusie = de uiteindelijke maaltijd
ATTITUDES HOOFDSTUK 3
Attitudes (houdingen) hebben een bepaalde relaties tot gedrag
= evaluatie statements of beoordelingen met betrekking tot objecten, mensen of
gebeurtenissen
o Cognitief component: mening/geloof (gedeelte van attitude)
o Affectief component: emotie/gevoel (gedeelte van attitude)
o Gedrag ’s component: intentie om op een bepaalde manier te gedragen
naar iemand toe
Voorbeeld:
- GIO college zal mij helpen om een betere manager te worden
- ik ben dol op lezen over GIO
- ik wil extra materiaal lezen over GIO
, Attitude > “ik ben voor sporten”
Subjectieve normen (perceptie die jij hebt over een
bepaald gedrag van belangrijke personen > “mijn
buren gaan naar de sportschool”
Waargenomen gedrags-controle (soort self-
efficacy) “ik kan dit ook makkelijk”
Intentie “volgende week ga ik ook
sporten” doen
Modererende variabelen: randvoorwaarden die het versterken of
afzwakken > bepaald waarschijnlijkheid van gedrag
o Groot/klein belang van attitude
o Groot/kleine toegankelijkheid
o Sociale druk
o Persoonlijke en directe ervaring met attitude (bijv. werken bij sportwinkel)
o Specifieke overeenkomst met gedrag (bijv. doel om gezond te worden is
de kans groter dan als je alleen wilt gaan sporten)
Cognitieve dissonantie < Leon Festiger 1967
o Mensen willen het vervelende gevoel kwijt > terug naar consistentie:
verandering van attitude of gedrag of rationalisatie
Verlangen om dissonantie te verminderen is afhankelijk van:
o Belang van de elementen
o Mate van individuele invloed
o Beloning betrokken bij dissonantie
1 euro beloning was niet genoeg > dus verteld dat het een leuke taak is
Andere reden waarom attitude niet tot gedrag leidt:
1. Presentatie van jezelf/imperssion management, om beter over te komen
2. Zelf-perceptie theorie, attitudes ontwikkelen door hun gedrag te
observeren
3. Organisationele rollen, je gaat je naar je rol gedragen, externe situatie
bepaalt je gedrag (gevangenis)
Major job attitudes
*Voorbeeld van google
Belangrijkste:
- jobsatisfaction = voldoening van werk, een
positief gevoel over het werk, gebaseerd op de
evaluatie van de kenmerken van het werk