De student geeft de definitie van de volgende begrippen (volgens
Schaerlaekens, 2008,
van den Dungen, 2007) en geeft bij elke begrip een voorbeeld:
Fonologie (segmentele werving) Kijkt naar één taal, welke klanken hebben
in die taal een betekenisonderscheidende
functie?
Voorbeeld: bal vs. dal
Conversatie/ Vertelvaardigheden De vaardigheid om rekening te houden met
de gesprekspartner en de situatie (beurtnemen,
topic-handhaving, vooronderstellen van
voorkennis bij de luisteraar, coherentie
(samenhang), relatieve referentie van de
taaluitingen, register (spreekstijlen en codes)
Voorbeeld: Ik speelde met Mick, dat is de
buurjongen.
Communicatieve functies De intenties waarvoor kinderen taal gebruiken in
de interactie. Hierbij kan de volgende indeling
gehanteerd worden:
Expressiefunctie: het uitdrukken van spontane
gevoelens (ik vind dit lekker)
Regulatiefunctie: het regelen van interactie
(Mama, kom eens!)
Representatiefunctie: het vragen en geven van
informatie (Ik ben nu een beestje aan het maken)
Controlefunctie: het onder controle houden van
het tegenwoordige of toekomstige gedrag van
één of meer van de deelnemers aan de interactie
(Jij moet nu dit pakken)
Sociale functie: het leggen en onderhouden van
sociale contacten (Hoi, doei)
De student benoemt de perioden (prelinguale-, vroeglinguale periode,
differentiatiefase
en voltooiingfase) van de normale verwerving van het Nederlands
(volgens Gillis &
Schaerlaekens, 2000)
Prelinguale fase:
Huilen Geboorte tot gemiddeld 6 weken
Kenmerken: Het eerste geluid wat een kind maakt is de
geboorteschreeuw. Het kind schreit alleen nog, doet één
schrei op één uitademing. Er zijn wel verschillende huiltypes,
vaak kunnen ouders horen wat hun kind wil. Ze beginnen met
de prespeech bewegingen, ze volgen de mondbewegingen
van de ouder, maar dit heeft nog geen invloed op de
klankproductie.
Vocaliseren Gemiddeld 6 weken tot 4 maanden
Kenmerken: Kinderen gaan nu steeds gerichter luisteren. Ook
de interactie tussen moeder en kind evolueert. Het kind gaat
steeds meer doen met de visuele waarneming. Ze kunnen met
hun ogen iets volgen wat ze zien en kunnen ook hun blik
fixeren. Ook verschijnt er in die tijd de sociale glimlach. Het
taalaanbod van de ouders is nu meer nadrukkelijk aanwezig.