Verpleegkundig (medisch) Rekenen
Medicatie
Mg/ml
1. Mevrouw Herenbrink is erg veel afgevallen. Zij is erg in de war. Zij neemt onregelmatig
haar medicatie in. Daarom heeft de arts met haar afgesproken dat zij vier wekelijks een
injectie krijgt. Je beschikt over ampullen medicatie met een concentratie van 40 mg/ml. a.
Hoeveel ml moet je injecteren als zij 8 mg moet geven?
b. Je hebt 0,6 ml geïnjecteerd. Hoeveel mg medicatie is dit?
c. Hoeveel ml moet je injecteren als je 35 mg moet geven?
2. Meneer Ketelbrink is depressief. Hij krijgt daarom medicatie voorgeschreven. Je beschikt
over een siroop van 30 mg/5 ml. In een fles zit 80 ml siroop. Hij krijgt 12 mg per dag. a.
Hoeveel dagen kan hij met deze fles doen?
b. Als je 10 mg medicatie geeft, hoeveel ml siroop is dat?
c. Je geeft 9 ml siroop, hoeveel mg is dat?
3. Nizar ligt in het ziekenhuis met hoge koorts. Hij krijgt daarom medicatie voorgeschreven.
Je hebt ampullen medicatie a 1,5g/100 ml.
a. Als Nizar 4x 0,3 g i.v. gegeven moet worden, hoeveel ml geef je dan per dosis?
b. Hoeveel mg geef je per dag als hij 4 x 0,5 g i.v. moet krijgen?
c. Als hij 4 x 1,4 ml i.v. krijgt, hoeveel g geef je dan per keer?
4. Mevrouw IJzerman moet geopereerd worden. Zij is daar zeer gespannen voor. Om haar
wat te laten ontspannen schrijven de arts haar midazolam voor. Zij moet een half uur voor
haar operatie 0,05 mg/kg i.m. krijgen. Zij weegt 103 kg.
Je beschikt over de volgende ampullen :
3 ampullen 5 mg/ml
a. Hoeveel mg midazolam moet zij krijgen?
b. Hoeveel ml moet je haar geven?
Antwoorden
1. Mevrouw Herenbrink is erg veel afgevallen. Zij is erg in de war. Zij neemt
onregelmatig haar medicatie in. Daarom heeft de arts met haar afgesproken dat zij vier
Medicatie
Mg/ml
1. Mevrouw Herenbrink is erg veel afgevallen. Zij is erg in de war. Zij neemt onregelmatig
haar medicatie in. Daarom heeft de arts met haar afgesproken dat zij vier wekelijks een
injectie krijgt. Je beschikt over ampullen medicatie met een concentratie van 40 mg/ml. a.
Hoeveel ml moet je injecteren als zij 8 mg moet geven?
b. Je hebt 0,6 ml geïnjecteerd. Hoeveel mg medicatie is dit?
c. Hoeveel ml moet je injecteren als je 35 mg moet geven?
2. Meneer Ketelbrink is depressief. Hij krijgt daarom medicatie voorgeschreven. Je beschikt
over een siroop van 30 mg/5 ml. In een fles zit 80 ml siroop. Hij krijgt 12 mg per dag. a.
Hoeveel dagen kan hij met deze fles doen?
b. Als je 10 mg medicatie geeft, hoeveel ml siroop is dat?
c. Je geeft 9 ml siroop, hoeveel mg is dat?
3. Nizar ligt in het ziekenhuis met hoge koorts. Hij krijgt daarom medicatie voorgeschreven.
Je hebt ampullen medicatie a 1,5g/100 ml.
a. Als Nizar 4x 0,3 g i.v. gegeven moet worden, hoeveel ml geef je dan per dosis?
b. Hoeveel mg geef je per dag als hij 4 x 0,5 g i.v. moet krijgen?
c. Als hij 4 x 1,4 ml i.v. krijgt, hoeveel g geef je dan per keer?
4. Mevrouw IJzerman moet geopereerd worden. Zij is daar zeer gespannen voor. Om haar
wat te laten ontspannen schrijven de arts haar midazolam voor. Zij moet een half uur voor
haar operatie 0,05 mg/kg i.m. krijgen. Zij weegt 103 kg.
Je beschikt over de volgende ampullen :
3 ampullen 5 mg/ml
a. Hoeveel mg midazolam moet zij krijgen?
b. Hoeveel ml moet je haar geven?
Antwoorden
1. Mevrouw Herenbrink is erg veel afgevallen. Zij is erg in de war. Zij neemt
onregelmatig haar medicatie in. Daarom heeft de arts met haar afgesproken dat zij vier