Hoorcollege Gedrag in Organisaties & leiderschap
H1, H2, H5, H6
Hoofdstuk 1: individu en organisatie
Motieven voor mensen om te gaan werken of om vrijwilligerswerk te gaan doen.
Motivatie wordt bepaald door:
- Interne krachten (je eigen behoeften) je eigen netwerk opbouwen/sociale contacten
opdoen.
De behoefte waarom mensen vrijwilligerswerk willen doen:
Behoeftepiramide Maslow
Alderfer: ERG Theorie
Existentieel: goede werkomgeving (veiligheid/zekerheid Maslow)
Relationeel: ergens bij horen (sociale contacten Maslow)
Groei: zelfontwikkeling (zelfontplooiing Maslow)
McClelland: Behoefteprofielen worden ontwikkeld in de eerste levensjaren (behoefte
om te presteren, behoefte aan macht, behoefte aan affiliatie/relatie met anderen)
- Externe krachten (situatie) vrienden werken er bijv. al (BAS-events Merela)
Motivatie door externe krachten:
Leren door trial en error
Skinner: wet van het effect (gevolgen van een handeling bepalen of iemand de
neiging heeft om dit te herhalen > positieve vs. negatieve bekrachtiging) Goede
ervaring = positieve ervaring = je gaat het vaker doen.
Conditionering Pavlov experiment met hond = gedrag aanleren; eten voor een hond
neerzetten is kwijlen.
- Betekenisgeving aan situatie en behoeften
Trekkende kracht (gedrag uitgelokt door de situatie)
Duwende kracht (gedrag wordt aangezet door behoeften)
Vroom: verwachtingstheorie:
1. Verband tussen (meer) inspanning en (betere) prestatie
2. Verband tussen (betere) prestaties en (hogere) opbrengsten
3. Waarde van de opbrengsten (status, salaris, sociale contacten, groeimogelijkheden)
De relatie tussen individu en organisatie:
- Betrokkenheid bij organisaties (Meyer & Allen)
Affectieve betrokkenheid (wij-gevoel)
Normatieve betrokkenheid (niet fatsoenlijk om de organisatie te verlaten)
Continuïteitsbetrokkenheid (er is al veel in het werk geïnvesteerd en het is moeilijk
dat elders op te bouwen)
Inspanningen die mensen leveren moeten in redelijke verhouding staan tot de
opbrengsten.
H1, H2, H5, H6
Hoofdstuk 1: individu en organisatie
Motieven voor mensen om te gaan werken of om vrijwilligerswerk te gaan doen.
Motivatie wordt bepaald door:
- Interne krachten (je eigen behoeften) je eigen netwerk opbouwen/sociale contacten
opdoen.
De behoefte waarom mensen vrijwilligerswerk willen doen:
Behoeftepiramide Maslow
Alderfer: ERG Theorie
Existentieel: goede werkomgeving (veiligheid/zekerheid Maslow)
Relationeel: ergens bij horen (sociale contacten Maslow)
Groei: zelfontwikkeling (zelfontplooiing Maslow)
McClelland: Behoefteprofielen worden ontwikkeld in de eerste levensjaren (behoefte
om te presteren, behoefte aan macht, behoefte aan affiliatie/relatie met anderen)
- Externe krachten (situatie) vrienden werken er bijv. al (BAS-events Merela)
Motivatie door externe krachten:
Leren door trial en error
Skinner: wet van het effect (gevolgen van een handeling bepalen of iemand de
neiging heeft om dit te herhalen > positieve vs. negatieve bekrachtiging) Goede
ervaring = positieve ervaring = je gaat het vaker doen.
Conditionering Pavlov experiment met hond = gedrag aanleren; eten voor een hond
neerzetten is kwijlen.
- Betekenisgeving aan situatie en behoeften
Trekkende kracht (gedrag uitgelokt door de situatie)
Duwende kracht (gedrag wordt aangezet door behoeften)
Vroom: verwachtingstheorie:
1. Verband tussen (meer) inspanning en (betere) prestatie
2. Verband tussen (betere) prestaties en (hogere) opbrengsten
3. Waarde van de opbrengsten (status, salaris, sociale contacten, groeimogelijkheden)
De relatie tussen individu en organisatie:
- Betrokkenheid bij organisaties (Meyer & Allen)
Affectieve betrokkenheid (wij-gevoel)
Normatieve betrokkenheid (niet fatsoenlijk om de organisatie te verlaten)
Continuïteitsbetrokkenheid (er is al veel in het werk geïnvesteerd en het is moeilijk
dat elders op te bouwen)
Inspanningen die mensen leveren moeten in redelijke verhouding staan tot de
opbrengsten.