Hoofdstuk 1 Reformatie en opstand
1.1 Problemen in de kerk
Ketterij en inquisitie
In de middeleeuwen was er èèn christelijke kerk in Europa, die erg machtig en rijk was. Sommige
mensen vonden dat kloosters veel te rijk waren. De monniken en nonnen leefden in grote luxe, zoals
Jezus. Rond 1100 werden nieuwe kloosterorden gesticht. Andere mensen in de middeleeuwen
gingen verder in hun kritiek op de kerk. Dat accepteerde de kerk niet. Zij noemde deze mensen
ketters en bestreed hen fel. In 1200 richtte de paus een speciale kerkelijke rechtbank op (inquisitie).
Die moesten mensen opsporen en ondervragen, en vaak werden ze daarbij gemarteld. Als ketters
niet terugkeerde werden ze levend verbrand.
Kritiek op de kerk
In de 16e eeuw groeide de kritiek op de kerk. Dat kwam onder anderen door het humanisme. Veel
gelovigen wilden zelf een band met God krijgen, zonder tussenkomst van een priester. Een
voorbeeld noemden ze de verkoop van aflaatbrieven, waar iemand tegen betaling in de hemel
hoopte te komen. Tegenstanders vonden dat verkeerd: je kon je zonden niet afkopen, daarvoor
moest je echt spijt hebben. Een van de felste bestrijders van misstanden was de Duitse monnik
Maarten Luther. In 1517 maakte hij een lijst met alle fouten in de kerk. Omdat Luther vond dat
iedereen de bijbel moest kunnen lezen, vertaalde hij die in het Duits. Hij kreeg veel volgelingen,
vooral in het Duitse Rijk. Luther wilde de organisatie en de leer van de kerk sterk veranderen. We
noemen hem daarom de hervormer. Een andere hervormer was de geleerde Johannes Calvijn. Ze
waren het over een ding eens: De kerk moest veranderen.
De kerk valt uiteen
De paus was woedend over al deze kritiek. Hij zette Luther, Calvijn en hun aanhangers uit de kerk.
Daardoor viel de christelijke kerk in twee stromingen uiteen. De rooms-katholieken bleven trouw
aan de paus in Rome, de protestanten kozen voor de hervormers. De aanhangers van Luther
(lutheranen) gingen naar andere kerken dan de aanhangers van Calvijn (calvinisten). Het ontstaan
van nieuwe protestantse kerken heet de hervorming/reformatie. Ten eerste veranderde het geloof
van miljoenen Europeanen. Een andere verandering was dat kerkdiensten niet meer werden geleid
door een priester maar door een dominee.
1.2 Onvrede in de Nederlanden
Streven naar centraal bestuur
Keizer Karel V regeerde over een enorm rijk. Het bestond rond 1550 onder meer uit Duitsland,
Spanje, stukken van Italië en koloniën in Amerika. Ook regeerde hij over de Nederlanden. De
Nederlanden bestonden uit 17 gewesten. Ieder gewest had eigen wetten, munten en bestuurders.
Omdat het moeilijk was om zoveel gewesten te besturen probeerde Karel V een centraal bestuur in
te voeren. Dat lukte, maar uiteraard was de adel niet blij met deze veranderingen. In 1555 volgde
Filips II zijn vader Karel V op. Hij bestuurde het grote rijk vanuit zijn paleis in Spanje. In de
Nederlanden stelde hij een plaatsvervanger aan. Deze landvoogd moest de Nederlanden voor hem
besturen. In elk gewest was een stadhouder, die de koning hielp met het bestuur en moest zorgen
voor orde en rust
1.1 Problemen in de kerk
Ketterij en inquisitie
In de middeleeuwen was er èèn christelijke kerk in Europa, die erg machtig en rijk was. Sommige
mensen vonden dat kloosters veel te rijk waren. De monniken en nonnen leefden in grote luxe, zoals
Jezus. Rond 1100 werden nieuwe kloosterorden gesticht. Andere mensen in de middeleeuwen
gingen verder in hun kritiek op de kerk. Dat accepteerde de kerk niet. Zij noemde deze mensen
ketters en bestreed hen fel. In 1200 richtte de paus een speciale kerkelijke rechtbank op (inquisitie).
Die moesten mensen opsporen en ondervragen, en vaak werden ze daarbij gemarteld. Als ketters
niet terugkeerde werden ze levend verbrand.
Kritiek op de kerk
In de 16e eeuw groeide de kritiek op de kerk. Dat kwam onder anderen door het humanisme. Veel
gelovigen wilden zelf een band met God krijgen, zonder tussenkomst van een priester. Een
voorbeeld noemden ze de verkoop van aflaatbrieven, waar iemand tegen betaling in de hemel
hoopte te komen. Tegenstanders vonden dat verkeerd: je kon je zonden niet afkopen, daarvoor
moest je echt spijt hebben. Een van de felste bestrijders van misstanden was de Duitse monnik
Maarten Luther. In 1517 maakte hij een lijst met alle fouten in de kerk. Omdat Luther vond dat
iedereen de bijbel moest kunnen lezen, vertaalde hij die in het Duits. Hij kreeg veel volgelingen,
vooral in het Duitse Rijk. Luther wilde de organisatie en de leer van de kerk sterk veranderen. We
noemen hem daarom de hervormer. Een andere hervormer was de geleerde Johannes Calvijn. Ze
waren het over een ding eens: De kerk moest veranderen.
De kerk valt uiteen
De paus was woedend over al deze kritiek. Hij zette Luther, Calvijn en hun aanhangers uit de kerk.
Daardoor viel de christelijke kerk in twee stromingen uiteen. De rooms-katholieken bleven trouw
aan de paus in Rome, de protestanten kozen voor de hervormers. De aanhangers van Luther
(lutheranen) gingen naar andere kerken dan de aanhangers van Calvijn (calvinisten). Het ontstaan
van nieuwe protestantse kerken heet de hervorming/reformatie. Ten eerste veranderde het geloof
van miljoenen Europeanen. Een andere verandering was dat kerkdiensten niet meer werden geleid
door een priester maar door een dominee.
1.2 Onvrede in de Nederlanden
Streven naar centraal bestuur
Keizer Karel V regeerde over een enorm rijk. Het bestond rond 1550 onder meer uit Duitsland,
Spanje, stukken van Italië en koloniën in Amerika. Ook regeerde hij over de Nederlanden. De
Nederlanden bestonden uit 17 gewesten. Ieder gewest had eigen wetten, munten en bestuurders.
Omdat het moeilijk was om zoveel gewesten te besturen probeerde Karel V een centraal bestuur in
te voeren. Dat lukte, maar uiteraard was de adel niet blij met deze veranderingen. In 1555 volgde
Filips II zijn vader Karel V op. Hij bestuurde het grote rijk vanuit zijn paleis in Spanje. In de
Nederlanden stelde hij een plaatsvervanger aan. Deze landvoogd moest de Nederlanden voor hem
besturen. In elk gewest was een stadhouder, die de koning hielp met het bestuur en moest zorgen
voor orde en rust