LF2 tentamenweek thema 4 urologisch systeem
M18.2
Sterk doorbloede nieren bevatten nefronen, waarin filtratie, reabsorptie en excretie plaatsvindt.
Nefronen filtratie, reabsorptie en secretie/excretie.
Urineleiers = ureters
Blaas = urethra
Nieren = renes
Nieren liggen tussen spieren van dorsale lichaamswand en bekleding van buikholte ->
retroperitoneaal, omdat ze achter het buikvlies liggen (peritoneum).
Nieren worden op hun plaats gehouden door:
- Het bovengelegen buikvlies
- Contact met aangrenzende organen
- Ondersteunende bindweefsels
Een vezelig nierkapsel omgeeft elk van beide nieren.
Wandelende nier = wanneer de ophangbanden beschadigd zijn, kunnen de nieren van hun plaats
raken en de eraan vastzittende bloedvaten en ureter belasten.
Gemiddelde nier = 10 cm lang, 5.5 cm breed en 3 cm dik.
Nierpoort: een uitstulping waar de ureter en de v. renalis uittreden en waar de a. renalis en de plexus
renalis (innervatie) binnenkomen.
Nierkapsel: bedekt oppervlak van nier en omgeeft de renale sinus (interne holte).
Vezelig kapsel: omgeeft buitenkant nier en bekleedt renale sinus (inwendige holte)
Nier is verdeeld in:
- Buitenste nierschors (cortex)
- Binnenste niermerg (medulla)
Merg bevat nierpiramiden, het uiteinde van elke piramide is de nierpapil. Deze steekt in de renale
sinus uit.
In cortex en nierpiramiden (van medulla) wordt urine gemaakt.
Niermerg pyramiden nierpapil mondt uit in nierkelkje nierbekken urine opgevangen via ureter
vervoerd naar de blaas urine verlaat via urethra het lichaam.
Urinevorming begint in nierschors, in microscopisch kleine structuren -> de nefronen.
Elke nier heeft 1,25 miljoen nefronen met een gezamenlijke lengte van ongeveer 145 km.
De nieren filtreren afvalstoffen uit het bloed en scheiden deze met de urine uit.
, Beide nieren krijgen bloed toegevoerd uit de a. renalis (nierslagader).
Als nierarteriën renale sinus binnenkomen, verdelen ze zich in takken die een reeks arteriae
interlobulares renis (interlobaire arteriën) van bloed voorzien.
Arteriën monden uit in de aa. arcuatae, die door grensgebied tussen cortex en medulla lopen.
Uit elk van deze kleine slagaders ontspringt een aantal interlobulaire arteriën, die de schors van
bloed voorzien.
Afferente arteriolen: die zich vanuit elk van de interlobulaire arteriën vertakken, voeren bloed naar
de capillairen van afzonderlijke nefronen.
Bloed bereikt alle nefronen door afferente arteriole en stroomt weg via een efferente arteriole.
Bloed stroomt naar capillairnet rond nierbuisjes (peritubulaire capillairnet).
Dit peritubulaire capillarnet biedt een route voor het opnemen/afgeven van stoffen die worden
afgegeven/gereabsorbeerd door nefron.
Bloed uit peritubulaire capillairen en vasa recta komen samen in interlobaire venen.
Deze monden zich weer uit in venae arcuatae en via interlobulaire venen direct in de vv. renales.
Nefron (niereenheid) = basale functionele eenheid in de nier.
Nefron bestaat uit:
- Nierlichaampje
- Nierbuis met lengte van 5 cm, die uit twee gekronkelde segmenten bestaat en die door
enkelvoudige U-vormige buis verbonden zijn.
Nefron begint bij nierlichaampje -> bestaat uit nierkapsel (kapsel van Bowman)
Nierkapsel: komvormig compartiment dat capillairnetwerk (=glomerulus) bevat.
Bloed komt bij de glomerulus via afferente arteriole binnen en stroomt weg via efferente arteriole.
In nierlichaampje -> water en opgeloste stoffen worden door de bloeddruk uit de capillairen in de
holte van het omringende kapsel geperst. -> filtratie!
Door filtratie ontstaat eiwitvrije oplossing: voorurine.
Vanuit nierlichaampje stroomt het naar de nierbuis.
Belangrijkste onderdelen nierbuis:
- Proximale tubulus concortus (PTC)
- Lis van Henle
- Distale tubulus concortus (DTC)
Naarmate de voorurine door nierbuis stroomt, verandert de samenstelling ervan geleidelijk totdat de
uiteindelijke urine ontstaat.
Nefron mondt uit in verzamelbuis (begin van verzamelsysteem). Deze loopt de schors uit en daalt af
in het merg.
Verzamelsysteem: maakt laatste aanpassingen aan de urine door water terug te resorberen of
verschillende ionen af te geven.
Vloeistof uit verzamelbuizen vanuit nefronen wordt meegevoerd in richting van verzamelkanaaltje.
Vanuit verzamelkanaaltje wordt de vloeistof, nu de urine, meegevoerd naar calices en verder naar
nierbekken.
M18.2
Sterk doorbloede nieren bevatten nefronen, waarin filtratie, reabsorptie en excretie plaatsvindt.
Nefronen filtratie, reabsorptie en secretie/excretie.
Urineleiers = ureters
Blaas = urethra
Nieren = renes
Nieren liggen tussen spieren van dorsale lichaamswand en bekleding van buikholte ->
retroperitoneaal, omdat ze achter het buikvlies liggen (peritoneum).
Nieren worden op hun plaats gehouden door:
- Het bovengelegen buikvlies
- Contact met aangrenzende organen
- Ondersteunende bindweefsels
Een vezelig nierkapsel omgeeft elk van beide nieren.
Wandelende nier = wanneer de ophangbanden beschadigd zijn, kunnen de nieren van hun plaats
raken en de eraan vastzittende bloedvaten en ureter belasten.
Gemiddelde nier = 10 cm lang, 5.5 cm breed en 3 cm dik.
Nierpoort: een uitstulping waar de ureter en de v. renalis uittreden en waar de a. renalis en de plexus
renalis (innervatie) binnenkomen.
Nierkapsel: bedekt oppervlak van nier en omgeeft de renale sinus (interne holte).
Vezelig kapsel: omgeeft buitenkant nier en bekleedt renale sinus (inwendige holte)
Nier is verdeeld in:
- Buitenste nierschors (cortex)
- Binnenste niermerg (medulla)
Merg bevat nierpiramiden, het uiteinde van elke piramide is de nierpapil. Deze steekt in de renale
sinus uit.
In cortex en nierpiramiden (van medulla) wordt urine gemaakt.
Niermerg pyramiden nierpapil mondt uit in nierkelkje nierbekken urine opgevangen via ureter
vervoerd naar de blaas urine verlaat via urethra het lichaam.
Urinevorming begint in nierschors, in microscopisch kleine structuren -> de nefronen.
Elke nier heeft 1,25 miljoen nefronen met een gezamenlijke lengte van ongeveer 145 km.
De nieren filtreren afvalstoffen uit het bloed en scheiden deze met de urine uit.
, Beide nieren krijgen bloed toegevoerd uit de a. renalis (nierslagader).
Als nierarteriën renale sinus binnenkomen, verdelen ze zich in takken die een reeks arteriae
interlobulares renis (interlobaire arteriën) van bloed voorzien.
Arteriën monden uit in de aa. arcuatae, die door grensgebied tussen cortex en medulla lopen.
Uit elk van deze kleine slagaders ontspringt een aantal interlobulaire arteriën, die de schors van
bloed voorzien.
Afferente arteriolen: die zich vanuit elk van de interlobulaire arteriën vertakken, voeren bloed naar
de capillairen van afzonderlijke nefronen.
Bloed bereikt alle nefronen door afferente arteriole en stroomt weg via een efferente arteriole.
Bloed stroomt naar capillairnet rond nierbuisjes (peritubulaire capillairnet).
Dit peritubulaire capillarnet biedt een route voor het opnemen/afgeven van stoffen die worden
afgegeven/gereabsorbeerd door nefron.
Bloed uit peritubulaire capillairen en vasa recta komen samen in interlobaire venen.
Deze monden zich weer uit in venae arcuatae en via interlobulaire venen direct in de vv. renales.
Nefron (niereenheid) = basale functionele eenheid in de nier.
Nefron bestaat uit:
- Nierlichaampje
- Nierbuis met lengte van 5 cm, die uit twee gekronkelde segmenten bestaat en die door
enkelvoudige U-vormige buis verbonden zijn.
Nefron begint bij nierlichaampje -> bestaat uit nierkapsel (kapsel van Bowman)
Nierkapsel: komvormig compartiment dat capillairnetwerk (=glomerulus) bevat.
Bloed komt bij de glomerulus via afferente arteriole binnen en stroomt weg via efferente arteriole.
In nierlichaampje -> water en opgeloste stoffen worden door de bloeddruk uit de capillairen in de
holte van het omringende kapsel geperst. -> filtratie!
Door filtratie ontstaat eiwitvrije oplossing: voorurine.
Vanuit nierlichaampje stroomt het naar de nierbuis.
Belangrijkste onderdelen nierbuis:
- Proximale tubulus concortus (PTC)
- Lis van Henle
- Distale tubulus concortus (DTC)
Naarmate de voorurine door nierbuis stroomt, verandert de samenstelling ervan geleidelijk totdat de
uiteindelijke urine ontstaat.
Nefron mondt uit in verzamelbuis (begin van verzamelsysteem). Deze loopt de schors uit en daalt af
in het merg.
Verzamelsysteem: maakt laatste aanpassingen aan de urine door water terug te resorberen of
verschillende ionen af te geven.
Vloeistof uit verzamelbuizen vanuit nefronen wordt meegevoerd in richting van verzamelkanaaltje.
Vanuit verzamelkanaaltje wordt de vloeistof, nu de urine, meegevoerd naar calices en verder naar
nierbekken.