100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Class notes

Onderzoeks- en interventiemethodologie A Hoorcollege 2:

Rating
-
Sold
-
Pages
6
Uploaded on
07-09-2022
Written in
2022/2023

Dit zijn mijn aantekeningen van het tweede hoorcollege van het vak OIMA (onderzoeks- en interventiemethodologie A) van de Radboud Universiteit Nijmegen - bachelor jaar 1.

Institution
Course









Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
September 7, 2022
Number of pages
6
Written in
2022/2023
Type
Class notes
Professor(s)
Jacobs, h.a.g.m
Contains
College 2

Subjects

Content preview

Onderzoeks- en interventiemethodologie A
Hoorcollege 2:

De 5 kernconcepten:
Model: 2 varianten
- Impliciet: verwijzen naar de mentale
modellen die mensen in hun hoofd
hebben. Je socialiseert in de
samenleving en daarmee krijg je een
bepaald beeld van opvattingen over hoe
de wereld in elkaar zit. Dingen die in je
hoofd gebeuren, kunnen we niet zien.
- Expliciet: twee soorten modellen
 Fysiek: maquettes, verkleinde weergaven van de werkelijkheid. Fysiek
model.
 Conceptueel: het verklaringsmodel (zie hoorcollege 1). Mate van
groepscohesie  streven naar unanimiteit  aantal besproken
alternatieven  kwaliteit besluit. Model visueel gemaakt.

Wet:
- Normatieve wetten: in wetten (juridisch)  regels die wij moeten volgen.
Vertaling van hoe wij vinden dat we met elkaar moeten omgaan. Er zit een
norm in.
- Empirische wetten: meer in de wetenschappelijke hoek (wet dat
hogedrukgebied overgaat in lagedrukgebied). Andere soort wetmatigheid 
kom je niet veel tegen in de sociale wetenschap (wel in natuurwetenschap).

Theorie: stelsel van uitspraken die samen een verklaring vormen voor een
verschijnsel. Logisch en consistent geheel van uitspraken dat dient om een bepaald
verschijnsel of fenomeen te beschrijven/verklaren.

Hypothese: gekoppeld aan de theorie. Een veronderstelling waarvan je verwacht dat
je deze in de empirie aantreft.

Experiment: dominant onderzoeksdesign. Heeft meestal een kunstmatige quasi.

Typen begrippen:
Individueel:
- ABN Ambo bank / Down the Rabit Hole (daar is er maar één van)
Universeel:
- Banken en Muziekfestival zijn universele begrippen. Het zijn klassen. Er zijn er
meerdere van.
Empirisch: Je kunt het zintuiglijk waarnemen.
- Vinylplaat (kun je waarnemen)
Niet-empirisch: Je kunt het niet waarnemen.
- Geluidsgolf (je kunt het niet zien).

, Typen uitspraken:
- Analytische uitspraak: Geen empirisch
component. Uitspraken die je niet
empirisch kunt vaststellen. Analytische
uitspraak heeft meestal de vorm van een
definitie. ‘een vierkant heeft vier zijden.’
- Synthetische uitspraak: Uitspraak die
je kan vaststellen. ‘dit vierkant is groen’

- Normatief: Er zit een soort ‘moeten’ in. ‘Europese voetbalclubs zouden niet
meer dan 50 miljoen voor een transfer moeten betalen’ / ‘In de Nederlandse
cultuursector is het de hoogste tijd voor een klimaatcode’ (de hoogste tijd 
het kan niet wachten  daarom moet er een Code Klimaat komen).
Verschil normatief en opinie: normatieve uitspraak kan je niet empirisch
vaststellen.
- Feitelijk: Kun je feitelijk vaststellen (uitspraak is feitelijk, maar klopt dan niet)
- Opinie: Wat iemand ergens van vindt (hoeft niet te kloppen, je kunt het wel
vinden).  ‘lage vertrouwen van de burgers is zorgelijk’ (zorgelijk is de
mening).

- Singulier: ‘Het basisonderwijs heeft een lerarentekort’. Gaat maar over één
ding: het Nederlandse onderwijs. Het is een grote sector, maar er is er maar
één van.
- Particulier: ‘Voor sommige concertzalen is het aantal bezoekers
toegenomen’. Van een grote groep neem je er enkele. De groep is groter dan
één, maar niet alle.
- Universeel: Gaat over alle. ‘het aantal bezoekers van concertzalen is het
afgelopen jaar toegenomen’. Kan over verschillende concertzalen gaan
(Ziggodome etc.).

- Statisch: ‘Het basisonderwijs in Nederland heeft een lerarentekort’. Je bedoelt
het voor dit moment. Geen tijdspad benoemd. Statisch houdt in dat alles
onveranderd blijft. ‘Op een moment’
- Dynamisch: ‘Het lerarentekort is het afgelopen decennium gestegen’. Gaat
over een ontwikkeling door de tijd heen. Iets wat veranderd of beweegt noem
je dynamisch.

- Beschrijvend: Het verschijnsel beschrijven. Beschrijven wat er plaatsvindt.
‘Het basisonderwijs in Nederland heeft een lerarentekort.’ (singulier, statisch
en beschrijvend).
- Verklaren: Er zijn oorzaken en gevolgen. ‘Er is een tekort aan leraren in
Nederland, omdat de werkdruk te hoog is’. Signaalwoorden oorzaak en
gevolg.
- Prescriptief: Het gaat over wat er in de toekomst moet gaan gebeuren  hoe
zou het eruit zien. Op basis van verklaringsmodellen die je doortrekt. Als de
ontwikkeling van het lerarentekort de afgelopen tien jaar hetzelfde is gebleven,
kan het de komende tien jaar zo blijven (er is een kans). ‘Als de werkdruk de
komende tien jaar afneemt, dan zal het lerarentekort ook afnemen.’
$5.39
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
marijn66

Get to know the seller

Seller avatar
marijn66 Radboud Universiteit Nijmegen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
0
Member since
3 year
Number of followers
0
Documents
7
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions