Introductie
In hoofdstuk 3 bespreken we het goede leven in het Christendom.
Gelijkheid
In het Christendom is, in tegenstelling tot de oude Grieken, haar ideaal over het goede leven
van toepassing op ieder mens, niet slechts de edelen. Vrouwen, arme mensen en de
werklieden horen er allemaal bij.
Hun God was ook een God voor allen. God zal in zijn toekomstige ‘koninkrijk van God’ een
einde maken aan al het leiden — dit is dus een erg non-politiek idee, in tegenstelling tot de
oude Grieken’ volledig politieke ideeën. Hiërarchie (verdeling van mensen) vervalt en
gelijkheid ontstaat.
De Liefde als Hoogste Deugd
Ook de Christenen hebben deugden: zij volgens er zeven. Vier daarvan zijn van Plato’s vier
deugden (hier de ‘kardinale deugden’ genoemd) die filosoofkoningen vertoonden, en drie
daarvan zijn de theologale deugden. Zie hieronder.
De Kardinale/Ethische Deugden (Plato’s filosoofkoningen-deugden) (W.L.)
• Matigheid.
• Dapperheid.
• Bedachtzaamheid.
• Rechtvaardigheid.
De Theologale Deugden (W.L.)
• Geloof
• Hoop
• Liefde
Al deze liefde om te zorgen voor anderen leverde opvanghuizen voor armen op. De
solidariteit en zorg uit onze samenleving stroomt dus deels voort uit het Christendom.
In tegenstelling tot al dit goede maakte de kerk misbruikt van hun macht.
Waardering voor Arbeid
Hoewel Aristoteles dus vond dat iemand die met zijn handen werkt (werklied) een
ondeugdzaam leven leidt, werd door het Christendom arbeid juist hoog gewaardeerd. Zoals
in de Bijbel staat: ‘Zes dagen zul je arbeiden en al je werk doen.’
20