Opdracht 1 :
1) Hartkleppen; De hartkleppen zorgen ervoor dat het bloed in de goede richting door het hart
stroomt. De hartkleppen kunnen zelf niet samentrekken. Ze openen en sluiten zich door
drukverschillen in de bloedstroom. Die ontstaan door het samentrekken van het hart.
2) Halvemaanvormige kleppen; De halvemaanvormige kleppen zitten aan het begin van de aorta en
aan het begin van de longslagader. Deze kleppen verhinderen het terugstromen van bloed van
longslagaders en aorta naar de kamers op het moment dat de bloeddruk in de longslagader en de
aorta hoger is dan de bloeddruk in de kamers.
3) Pezen aan de hartkleppen; De pezen aan de hartkleppen houden de klepslippen op hun plaats
Opdracht 2 :
1) de wand van de linkerkamer is dikker dan die van de rechterkamer
2) de wand van de linkerboezem is dikker clan die van de rechterboezem
3) De linkerkamer/boezem moet het hardst werken. Deze kamer pompt het zuurstofrijke bloed
namelijk het hele lichaam rond.
Opdracht 3 : De wand van de aorta is veel dikker, gespierder en elastischer dan die van de
longslagader. Dit is nodig omdat op de aorta veel meer druk komt te staan dan de longslagader, door
de aorta moet namelijk het bloed naar het hele lichaam en de druk van linkerkamer opvangen.
Opdracht 4 : De wand van de rechterkamer is veel dunner dan die van de linkerkamer, de wand van
de linkerkamer is veel gespierder. Dit komt dan ook overeen met de aorta en longslag ader, want de
dikke en gespierde linkerkamer heet de gespierde aorta als uitgang en de iets minder gespierde
rechterkamer heeft de iets minder dikke longslagader als uitgang. Dit komt dan ook overeen met
vraag 3, want de linkerharthelft en aorta moet het bloed door het hele lichaam pompen en daar is
veel meer druk voor nodig.
Opdracht 5 : Hoe kleiner het dier, hoe groter de afkoeling er van, wil het toch op temperatuur
blijven, dan zal het hart sneller moeten pompen. Hoe groter het hart hoe minder spieren er nodig
zijn aan het oppervlak om een bepaalde hoeveelheid bloed te verpompen. Dat heeft te maken niet
de oppervlakte en inhoud verhouding van het hart.
1) Hartkleppen; De hartkleppen zorgen ervoor dat het bloed in de goede richting door het hart
stroomt. De hartkleppen kunnen zelf niet samentrekken. Ze openen en sluiten zich door
drukverschillen in de bloedstroom. Die ontstaan door het samentrekken van het hart.
2) Halvemaanvormige kleppen; De halvemaanvormige kleppen zitten aan het begin van de aorta en
aan het begin van de longslagader. Deze kleppen verhinderen het terugstromen van bloed van
longslagaders en aorta naar de kamers op het moment dat de bloeddruk in de longslagader en de
aorta hoger is dan de bloeddruk in de kamers.
3) Pezen aan de hartkleppen; De pezen aan de hartkleppen houden de klepslippen op hun plaats
Opdracht 2 :
1) de wand van de linkerkamer is dikker dan die van de rechterkamer
2) de wand van de linkerboezem is dikker clan die van de rechterboezem
3) De linkerkamer/boezem moet het hardst werken. Deze kamer pompt het zuurstofrijke bloed
namelijk het hele lichaam rond.
Opdracht 3 : De wand van de aorta is veel dikker, gespierder en elastischer dan die van de
longslagader. Dit is nodig omdat op de aorta veel meer druk komt te staan dan de longslagader, door
de aorta moet namelijk het bloed naar het hele lichaam en de druk van linkerkamer opvangen.
Opdracht 4 : De wand van de rechterkamer is veel dunner dan die van de linkerkamer, de wand van
de linkerkamer is veel gespierder. Dit komt dan ook overeen met de aorta en longslag ader, want de
dikke en gespierde linkerkamer heet de gespierde aorta als uitgang en de iets minder gespierde
rechterkamer heeft de iets minder dikke longslagader als uitgang. Dit komt dan ook overeen met
vraag 3, want de linkerharthelft en aorta moet het bloed door het hele lichaam pompen en daar is
veel meer druk voor nodig.
Opdracht 5 : Hoe kleiner het dier, hoe groter de afkoeling er van, wil het toch op temperatuur
blijven, dan zal het hart sneller moeten pompen. Hoe groter het hart hoe minder spieren er nodig
zijn aan het oppervlak om een bepaalde hoeveelheid bloed te verpompen. Dat heeft te maken niet
de oppervlakte en inhoud verhouding van het hart.