Natuurkunde Samenvatting Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Lichtbreking: Licht dat van richting veranderd
Normaal: gestippelde lijn die loodrecht op het grensvlak staat
Hoek van Inval: hoek tussen de invallende lichtstraal en de normaal
Hoek van breking: hoek tussen de gebroken lichtstraal en de normaal
Lens: die verandert de lichtstralen van richting, is van glas of kunststof.
Hoofdas: de lijn die door het midden van de lens loopt
Brandpunt: na de lens bewegen de lichtstralen naar elkaar toe en ontmoeten elkaar in 1 punt
Brandpuntafstand: F, hoe kleiner F hoe sterker de lens het licht breekt, afstand tussen
midden van de lens en het brandpunt
Paragraaf 2
Positieve lens: rand dunner midden dikker, ook wel bolle lenzen
Negatieve lens: Rand dikker midden dunner, ook wel holle lenzen
Evenwijdig Convergente divergente
Convergerend: positieve lenzen werken zo, hoe boller de lens hoe sterker de convergente
werking
Divergerend: Negatieve lenzen werken zo, hoe holler de lens hoe sterker de divergente
werking
Beeldpunt: B, de lens zorgt ervoor dat licht uit 1 punt van het voorwerp ook weer in 1 punt
bij elkaar komen B
Construeren: doormiddel van een tekening kun je erachter komen waar het beeld achter de
lens ontstaat, dat heet construeren
Constructiestralen
Paragraaf 3
Hoe stel je scherp bij een camera: de afstand tussen de lens en de beeldchip te verstellen. Moderne
camera’s doen dit automatisch.
Hoe stel je scherp bij een beamer: stel het scherm op een plaats waar de lichtstralen vanuit één punt
van het Icd-scherm weer in één punt samenkomen.
Als je de afmeting van het onderwerp en van het beeld kent, kun je de vergroting N berekenen:
N = lengte beeld
d lengte voorwerp
Combinatie met de lenzenformule:
N=b
X v
Paragraaf 1
Lichtbreking: Licht dat van richting veranderd
Normaal: gestippelde lijn die loodrecht op het grensvlak staat
Hoek van Inval: hoek tussen de invallende lichtstraal en de normaal
Hoek van breking: hoek tussen de gebroken lichtstraal en de normaal
Lens: die verandert de lichtstralen van richting, is van glas of kunststof.
Hoofdas: de lijn die door het midden van de lens loopt
Brandpunt: na de lens bewegen de lichtstralen naar elkaar toe en ontmoeten elkaar in 1 punt
Brandpuntafstand: F, hoe kleiner F hoe sterker de lens het licht breekt, afstand tussen
midden van de lens en het brandpunt
Paragraaf 2
Positieve lens: rand dunner midden dikker, ook wel bolle lenzen
Negatieve lens: Rand dikker midden dunner, ook wel holle lenzen
Evenwijdig Convergente divergente
Convergerend: positieve lenzen werken zo, hoe boller de lens hoe sterker de convergente
werking
Divergerend: Negatieve lenzen werken zo, hoe holler de lens hoe sterker de divergente
werking
Beeldpunt: B, de lens zorgt ervoor dat licht uit 1 punt van het voorwerp ook weer in 1 punt
bij elkaar komen B
Construeren: doormiddel van een tekening kun je erachter komen waar het beeld achter de
lens ontstaat, dat heet construeren
Constructiestralen
Paragraaf 3
Hoe stel je scherp bij een camera: de afstand tussen de lens en de beeldchip te verstellen. Moderne
camera’s doen dit automatisch.
Hoe stel je scherp bij een beamer: stel het scherm op een plaats waar de lichtstralen vanuit één punt
van het Icd-scherm weer in één punt samenkomen.
Als je de afmeting van het onderwerp en van het beeld kent, kun je de vergroting N berekenen:
N = lengte beeld
d lengte voorwerp
Combinatie met de lenzenformule:
N=b
X v