Woordenlijst algemene psychologie
Hoofdstuk 1 wat is psychologie
• Psychologie: een wetenschap waarbij menselijk gedrag bestudeerd wordt, en waarbij
die gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan dat
gedrag ten grondslag liggen.
• Wetenschappelijke revolutie: het idee van ware kennis gebaseerd op systematische
observatie en actief ingrijpen in de wereld.
• Copernicaanse revolutie: een belangrijke revolutie voor de psychologie. De juliaanse
kalender wordt vervangen door de gregoriaanse kalender. Dit is het gevolg van het
inzicht dat de aarde niet het centrum van het heelal vormt.
• Mentale chronometrie: een term ontleend aan de experimentele psychologie. Zij
slaat op vernuftige experimenten waarin men uit variaties in reactietijden die in
verschillende taken of taakcondities waren gemeten, de snelheid en/of aard van
psychische processen probeerde af te leiden.
• Evolutietheorie: Volgens deze theorie waren levende wezens het resultaat van een
aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden.
• Dualisme: Dualisme verwijst naar de overtuiging dat mensen 2 uit onafhankelijke
elementen bestaan: lichaam en geest.
• Rationalisme: Het rationalisme stelt dat ware kennis gebaseerd is op de rede, die door
het toepassen van logica nieuwe informatie afleidt uit de bestaande.
• Nativisme: kennis die bij de geboorte al in aanleg aanwezig is en niet tijdens het leven
hoeft te worden vergaard
• Empirisme: Empirisme is de inhoud van de geest die niet gevormd is door aangeboren
ideeën en afgeleide inzichten, maar via zintuigelijke ervaringen die met elkaar
geassocieerd worden.
• Introspectie: het onderscheid tussen inner wahrnemung en experimentelle
sebstbeobachtung (sofa science vs observatie in labo)
• Structuralisme: Op basis van introspectie de structuur van het bewustzijn proberen
te ontdekken.
• Functionalisme: sterkste vertegenwoordigers zijn Dewey en James. Ze onderzoeken
wat de functies van het bewustzijn en hoe het bewustzijn overleg behelpt. Dit wordt
onderzocht door introspectie en observatie
• Behaviourisme: sterkste vertegenwoordigers zijn Watson en Skinner. Ze onderzoeken
hoe we gedrag wetenschappelijk kunnen bestuderen. Dit wordt onderzocht door
gecontroleerde experimenten met operationeel gedefinieerde variabelen.
• Operationele definitie: Omzetting van een abstract of hypothetisch begrip in concrete
handelingen om belangrijke aspecten van dat begrip constateerbaar en meetbaar te
maken.
• S-R-psychologie: de benadering van de psychologie die gedrag conceptualiseert in
termen van stimulus en respons. Het fundamentele doel is het beschrijven van
functionele relaties tussen stimulus en respons.
• Psychoanalyse : de belangrijkste vertegenwoordiger is Freud. We onderzoeken wat
we kunnen besluiten over het onbewuste door mentale problemen te bestuderen. Het
wordt onderzoek gebeurd door casestudies, vrije associatie en droomanalyse.
• Hermeneutiek: Freud stelde een onderzoeksmethode voor die eerder aanslaat bij
traditionele, filosofische cultuur om het verleden te begrijpen.
,• Theorie: moet bestaan uit het beschrijven van de precieze relatie tussen de
onafhankelijke en de afhankelijke variabelen
• Literatuurstudie: nagaan van voorafgaand onderzoek
• Naturalistische observatie: gedrag systematisch geobserveerd in natuurlijke context.
Onderzoekers noteren hoe vaak, wanneer en in welke context allerhande gedragingen
vertoond worden.
• Reactieve gedragingen: mens en dier hebben de neiging om zich anders te gedragen
wanneer ze weten dat ze geobserveerd worden.
• Vragenlijst: subjectief en sociaal wenselijk
• Gestructureerd interview: interview waarin je elke kandidaat dezelfde vraag stelt.
De voordelen zijn dat het gedetailleerder is. De nadelen zijn dat er een sampling bias
aanwezig is, dat de perceptie niet gelijk is aan de realiteit en dat er geen anonimiteit
is.
• Ongestructureerd interview: tegenovergestelde
• Sociale wenselijkheid: Ongewenste neiging van respondenten hun antwoorden te
kleuren in de richting van wat ze denken dat door anderen als beter, mooier of
succesvoller wordt beschouwd.
• Opiniepeiling: 1 korte snelle vraag die men bij heel veel mensen stelt.
• Gestandaardiseerde test: procedures voor het meten van vaardigheden of
eigenschappen die aan een zorgvuldig en uitgebreid vooronderzoek onderworpen
werden
• Gevalstudie: Een studie waarin je 1 specifiek geval heel nauwkeurig bestudeerd met
als bedoelong iets nieuws te ontdekken. Belangrijk geweest in de psychologie
• Focusgroep: is een kwalitatieve onderzoek vorm waarbij een groep van mensen
gevraagd wordt naar hun percepties, ideeën en meningen over een product,
service, concept, advertentie of idee. De focusgroep wordt gebruikt om data te
verzamelen voor wetenschappelijk onderzoek en voor marketing doeleinden.
• Variabele: staat voor elk veranderlijk kenmerk dat gemeten kan worden
• Correlatie: verbanden tussen karakteristieken die men gemeten heeft
• Correlatiecoëfficiënt: om correlatie tussen twee variabelen te beschrijven
• Nul correlatie: geen systematische relatie tussen twee variabelen
• Experimenteel onderzoek: Aantonen van een oorzakelijke verandering
• Hypothese: Een voorspelling op basis van een theorie die in een proef getoetst wordt
• Onafhankelijke variabele: wat wordt gemanipuleerd
• Afhankelijke variabele: meten van het effect van de manipulatie
• Controlevariabele: wat je constant houdt.
• Operationaliseren van variabelen: onafhankelijke en afhankelijke variabelen
omzetten in meetbare en concrete handelingen.
• Informed consent: een procedure waarin iemand de mogelijke voor- en nadelen van
een medische behandeling te horen krijgt alvorens degene besluit om de behandeling
al dan niet te ondergaan.
• Debriefing: Bijeenkomst ter nabespreking en evaluatie van de inzet van mensen en
middelen, bijvoorbeeld na hulpverlening tijdens een ramp of na een grote operatie.
• Interne validiteit: storende variabelen, oorzaak-gevolgrelaties gerechtvaardigd
• Externe validiteit: veralgemeenbaarheid onderzoeksresultaten, repliceerbaar-
betrouwbaarheid, ecologische validiteit en veldexperiment.
, • Veldexperiment: vorm van causaal onderzoek waarbij de invloed van de
experimentele variabele(n) op de afhankelijke variabele(n) wordt vastgesteld. Dit
onderzoek wordt uitgevoerd in een realistische situatie.
• Inprenting: een leerproces dat zich voordoet in een kenmerkende kritische periode in
een vroege fase van de ontogenetische ontwikkeling van een individu, en waarbij aan
de hand van de informatie die uit de ommgeving wordt verworven.
• Evolutiepsycholoog: een groot deel van menselijk gedrag kan begrepen worden
vanuit evolutieleer.
• Homunculus: machine van de geest
• Informatiefeedback: een proces waarbij de uitkomst (output) van een bewerking
(proces) wordt teruggevoerd (feedback) aan de invoer
• Cognitieve psychologie: de studie van mentale functies, waaronder aandacht,
geheugen, bewustzijn, emotie, taal en actiecontrole. Het doel is om de complexe
relaties tussen brein, cognitie en gedrag te begrijpen.
• Nature-nurture debat: het debat tussen de zaken die men vanaf het begin van hun
leven weten en kunnen en aangeleerd krijgen.
• Biopsychosociaal model: gedrag wordt beïnvloed door socioculturele context,
cognitie en biologie
• Psychologisering: op grond van een aspect van iemands functioneren een uitspraak
doen over zijn karakter.
• Stereotype: een vaststaand beeld van bijvoorbeeld een groep mensen, meestal
schadend.
Hoofdstuk 3 gewaarwording
• Gewaarwording: het verzamelen van informatie door receptoren en transfer naar de
hersenen.
• Waarneming: interpreteren en begrijpen van de gewaarwording
• Golflengte: de afstand tussen twee opeenvolgende punten
• Zichtbare spectrum: 400-700 nm = klein spectrum! In het heelal zijn er lichtdeeltjes
die heel traag of die heel snel op en neer gaan. Onze hersenen zien 98% van het licht
die in de wereld aanwezig is niet omdat onze ogen daar niet voor uitgerust zijn.
• Lichtintensiteit: hoe fel je iets ziet, hoeveelheid fotonen per tijdseenheid
Onze hersenen berekenen dus hoeveel fotonen ze binnen krijgen.
• Cornea: het transparante hoornvlies
• Pupil: tussen de cornea en de lens
• Iris: gekleurde deel van het oog
• Lens: bol/dicht
• Accommodatie: zorgt ervoor dat de lichtstralen terecht komen op het ene deel van
ons oog waar we eigenlijk zien
• Retina: projectieschermpje
• Transductie: fysische energie->receptoren->chemische reactie->elektrisch signaal
• Kegeltjes: perceptie kleur, hoge intensiteit
• Fovea: de gele vlek, hier zijn de kegeltjes geconcentreerd
• Staafjes: perceptie bewegingen, lage intensiteit
• Oogzenuw: de axon van ganglioncellen (informatieverwerking)
• Blinde vlek: waar de oogzenuw zich op het netvlies bevind, er zijn geen kegeltjes of
staafjes
Hoofdstuk 1 wat is psychologie
• Psychologie: een wetenschap waarbij menselijk gedrag bestudeerd wordt, en waarbij
die gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die aan dat
gedrag ten grondslag liggen.
• Wetenschappelijke revolutie: het idee van ware kennis gebaseerd op systematische
observatie en actief ingrijpen in de wereld.
• Copernicaanse revolutie: een belangrijke revolutie voor de psychologie. De juliaanse
kalender wordt vervangen door de gregoriaanse kalender. Dit is het gevolg van het
inzicht dat de aarde niet het centrum van het heelal vormt.
• Mentale chronometrie: een term ontleend aan de experimentele psychologie. Zij
slaat op vernuftige experimenten waarin men uit variaties in reactietijden die in
verschillende taken of taakcondities waren gemeten, de snelheid en/of aard van
psychische processen probeerde af te leiden.
• Evolutietheorie: Volgens deze theorie waren levende wezens het resultaat van een
aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden.
• Dualisme: Dualisme verwijst naar de overtuiging dat mensen 2 uit onafhankelijke
elementen bestaan: lichaam en geest.
• Rationalisme: Het rationalisme stelt dat ware kennis gebaseerd is op de rede, die door
het toepassen van logica nieuwe informatie afleidt uit de bestaande.
• Nativisme: kennis die bij de geboorte al in aanleg aanwezig is en niet tijdens het leven
hoeft te worden vergaard
• Empirisme: Empirisme is de inhoud van de geest die niet gevormd is door aangeboren
ideeën en afgeleide inzichten, maar via zintuigelijke ervaringen die met elkaar
geassocieerd worden.
• Introspectie: het onderscheid tussen inner wahrnemung en experimentelle
sebstbeobachtung (sofa science vs observatie in labo)
• Structuralisme: Op basis van introspectie de structuur van het bewustzijn proberen
te ontdekken.
• Functionalisme: sterkste vertegenwoordigers zijn Dewey en James. Ze onderzoeken
wat de functies van het bewustzijn en hoe het bewustzijn overleg behelpt. Dit wordt
onderzocht door introspectie en observatie
• Behaviourisme: sterkste vertegenwoordigers zijn Watson en Skinner. Ze onderzoeken
hoe we gedrag wetenschappelijk kunnen bestuderen. Dit wordt onderzocht door
gecontroleerde experimenten met operationeel gedefinieerde variabelen.
• Operationele definitie: Omzetting van een abstract of hypothetisch begrip in concrete
handelingen om belangrijke aspecten van dat begrip constateerbaar en meetbaar te
maken.
• S-R-psychologie: de benadering van de psychologie die gedrag conceptualiseert in
termen van stimulus en respons. Het fundamentele doel is het beschrijven van
functionele relaties tussen stimulus en respons.
• Psychoanalyse : de belangrijkste vertegenwoordiger is Freud. We onderzoeken wat
we kunnen besluiten over het onbewuste door mentale problemen te bestuderen. Het
wordt onderzoek gebeurd door casestudies, vrije associatie en droomanalyse.
• Hermeneutiek: Freud stelde een onderzoeksmethode voor die eerder aanslaat bij
traditionele, filosofische cultuur om het verleden te begrijpen.
,• Theorie: moet bestaan uit het beschrijven van de precieze relatie tussen de
onafhankelijke en de afhankelijke variabelen
• Literatuurstudie: nagaan van voorafgaand onderzoek
• Naturalistische observatie: gedrag systematisch geobserveerd in natuurlijke context.
Onderzoekers noteren hoe vaak, wanneer en in welke context allerhande gedragingen
vertoond worden.
• Reactieve gedragingen: mens en dier hebben de neiging om zich anders te gedragen
wanneer ze weten dat ze geobserveerd worden.
• Vragenlijst: subjectief en sociaal wenselijk
• Gestructureerd interview: interview waarin je elke kandidaat dezelfde vraag stelt.
De voordelen zijn dat het gedetailleerder is. De nadelen zijn dat er een sampling bias
aanwezig is, dat de perceptie niet gelijk is aan de realiteit en dat er geen anonimiteit
is.
• Ongestructureerd interview: tegenovergestelde
• Sociale wenselijkheid: Ongewenste neiging van respondenten hun antwoorden te
kleuren in de richting van wat ze denken dat door anderen als beter, mooier of
succesvoller wordt beschouwd.
• Opiniepeiling: 1 korte snelle vraag die men bij heel veel mensen stelt.
• Gestandaardiseerde test: procedures voor het meten van vaardigheden of
eigenschappen die aan een zorgvuldig en uitgebreid vooronderzoek onderworpen
werden
• Gevalstudie: Een studie waarin je 1 specifiek geval heel nauwkeurig bestudeerd met
als bedoelong iets nieuws te ontdekken. Belangrijk geweest in de psychologie
• Focusgroep: is een kwalitatieve onderzoek vorm waarbij een groep van mensen
gevraagd wordt naar hun percepties, ideeën en meningen over een product,
service, concept, advertentie of idee. De focusgroep wordt gebruikt om data te
verzamelen voor wetenschappelijk onderzoek en voor marketing doeleinden.
• Variabele: staat voor elk veranderlijk kenmerk dat gemeten kan worden
• Correlatie: verbanden tussen karakteristieken die men gemeten heeft
• Correlatiecoëfficiënt: om correlatie tussen twee variabelen te beschrijven
• Nul correlatie: geen systematische relatie tussen twee variabelen
• Experimenteel onderzoek: Aantonen van een oorzakelijke verandering
• Hypothese: Een voorspelling op basis van een theorie die in een proef getoetst wordt
• Onafhankelijke variabele: wat wordt gemanipuleerd
• Afhankelijke variabele: meten van het effect van de manipulatie
• Controlevariabele: wat je constant houdt.
• Operationaliseren van variabelen: onafhankelijke en afhankelijke variabelen
omzetten in meetbare en concrete handelingen.
• Informed consent: een procedure waarin iemand de mogelijke voor- en nadelen van
een medische behandeling te horen krijgt alvorens degene besluit om de behandeling
al dan niet te ondergaan.
• Debriefing: Bijeenkomst ter nabespreking en evaluatie van de inzet van mensen en
middelen, bijvoorbeeld na hulpverlening tijdens een ramp of na een grote operatie.
• Interne validiteit: storende variabelen, oorzaak-gevolgrelaties gerechtvaardigd
• Externe validiteit: veralgemeenbaarheid onderzoeksresultaten, repliceerbaar-
betrouwbaarheid, ecologische validiteit en veldexperiment.
, • Veldexperiment: vorm van causaal onderzoek waarbij de invloed van de
experimentele variabele(n) op de afhankelijke variabele(n) wordt vastgesteld. Dit
onderzoek wordt uitgevoerd in een realistische situatie.
• Inprenting: een leerproces dat zich voordoet in een kenmerkende kritische periode in
een vroege fase van de ontogenetische ontwikkeling van een individu, en waarbij aan
de hand van de informatie die uit de ommgeving wordt verworven.
• Evolutiepsycholoog: een groot deel van menselijk gedrag kan begrepen worden
vanuit evolutieleer.
• Homunculus: machine van de geest
• Informatiefeedback: een proces waarbij de uitkomst (output) van een bewerking
(proces) wordt teruggevoerd (feedback) aan de invoer
• Cognitieve psychologie: de studie van mentale functies, waaronder aandacht,
geheugen, bewustzijn, emotie, taal en actiecontrole. Het doel is om de complexe
relaties tussen brein, cognitie en gedrag te begrijpen.
• Nature-nurture debat: het debat tussen de zaken die men vanaf het begin van hun
leven weten en kunnen en aangeleerd krijgen.
• Biopsychosociaal model: gedrag wordt beïnvloed door socioculturele context,
cognitie en biologie
• Psychologisering: op grond van een aspect van iemands functioneren een uitspraak
doen over zijn karakter.
• Stereotype: een vaststaand beeld van bijvoorbeeld een groep mensen, meestal
schadend.
Hoofdstuk 3 gewaarwording
• Gewaarwording: het verzamelen van informatie door receptoren en transfer naar de
hersenen.
• Waarneming: interpreteren en begrijpen van de gewaarwording
• Golflengte: de afstand tussen twee opeenvolgende punten
• Zichtbare spectrum: 400-700 nm = klein spectrum! In het heelal zijn er lichtdeeltjes
die heel traag of die heel snel op en neer gaan. Onze hersenen zien 98% van het licht
die in de wereld aanwezig is niet omdat onze ogen daar niet voor uitgerust zijn.
• Lichtintensiteit: hoe fel je iets ziet, hoeveelheid fotonen per tijdseenheid
Onze hersenen berekenen dus hoeveel fotonen ze binnen krijgen.
• Cornea: het transparante hoornvlies
• Pupil: tussen de cornea en de lens
• Iris: gekleurde deel van het oog
• Lens: bol/dicht
• Accommodatie: zorgt ervoor dat de lichtstralen terecht komen op het ene deel van
ons oog waar we eigenlijk zien
• Retina: projectieschermpje
• Transductie: fysische energie->receptoren->chemische reactie->elektrisch signaal
• Kegeltjes: perceptie kleur, hoge intensiteit
• Fovea: de gele vlek, hier zijn de kegeltjes geconcentreerd
• Staafjes: perceptie bewegingen, lage intensiteit
• Oogzenuw: de axon van ganglioncellen (informatieverwerking)
• Blinde vlek: waar de oogzenuw zich op het netvlies bevind, er zijn geen kegeltjes of
staafjes