Scheikunde samenvatting - H16
Amfolyt = deeltje dat als zuur én als base reageert (H₂PO₄⁻ en HPO₄²⁻).
• Komt in aanraking met zure oplossing: reageert als baseKomt in aanraking met
basische oplossing: reageert als zuur
• Aminozuren zijn amfolyten
• Gedraagt zich in water als zuur als: Kz > KbGedraagt zich in water als base als: Kb > Kz
Dubbelionen = ionen met twee geladen groepen.
Buffer = oplossing waarvan pH nauwelijks verandert bij toevoeging van zuur of base of
bij verdunning.
• Bevat zwak zuur en geconjugeerde zwakke base
• Bij toevoegen van OH⁻-ionen reageert zwak zuurBij toevoegen van H₃O⁺-ionen
reageert zwakke base
• Buffer verhouding = 1 : 10 of 10 : 1
• Keuze buffer: bij gelijke concentraties van geconjugeerd zuur-basepaar geldt K z =
[H₃O⁺]
• pH van buffer is afhankelijk van verhouding tussen geconjugeerd zuur-basepaar
Hemoglobinebuffer = HHb⁺/Hb met Kz = 2·10⁻⁷
• Transport van O₂ en CO₂
• Opnemen van H⁺ voor reguleren van pH
Koolzuurbuffer = H₂CO₃/HCO₃⁻ met Kz = 8,0·10⁻⁷
Fosfaatbuffer = H₂PO₄⁻/HPO₄²⁻
Enzym = eiwit dat als biokatalysator bepaalde reactie in organisme mogelijk maakt of
versnelt.
• Substraat = stof waar enzym op inwerkt.
• Co-enzym = kleiner organisch molecuul dat enzym nodig heeft om werkzaam te zijn
(aan/uitschakelaar van enzym).
• Stereospecifiek = bij spiegelbeeldisomeren reageert enzym met een van de isomeren.
• Actieve centrum = plaats waar substraat zich hecht aan enzym (hier vindt reactie
plaats).
• Binding tussen substraat en enzym = enzym-substraatcomplex
• Reactiestappen: binding > omzetting > afscheiding (evenwichtsreacties)
• E+S⇄E-S⇄E-P⇄E+P
Amfolyt = deeltje dat als zuur én als base reageert (H₂PO₄⁻ en HPO₄²⁻).
• Komt in aanraking met zure oplossing: reageert als baseKomt in aanraking met
basische oplossing: reageert als zuur
• Aminozuren zijn amfolyten
• Gedraagt zich in water als zuur als: Kz > KbGedraagt zich in water als base als: Kb > Kz
Dubbelionen = ionen met twee geladen groepen.
Buffer = oplossing waarvan pH nauwelijks verandert bij toevoeging van zuur of base of
bij verdunning.
• Bevat zwak zuur en geconjugeerde zwakke base
• Bij toevoegen van OH⁻-ionen reageert zwak zuurBij toevoegen van H₃O⁺-ionen
reageert zwakke base
• Buffer verhouding = 1 : 10 of 10 : 1
• Keuze buffer: bij gelijke concentraties van geconjugeerd zuur-basepaar geldt K z =
[H₃O⁺]
• pH van buffer is afhankelijk van verhouding tussen geconjugeerd zuur-basepaar
Hemoglobinebuffer = HHb⁺/Hb met Kz = 2·10⁻⁷
• Transport van O₂ en CO₂
• Opnemen van H⁺ voor reguleren van pH
Koolzuurbuffer = H₂CO₃/HCO₃⁻ met Kz = 8,0·10⁻⁷
Fosfaatbuffer = H₂PO₄⁻/HPO₄²⁻
Enzym = eiwit dat als biokatalysator bepaalde reactie in organisme mogelijk maakt of
versnelt.
• Substraat = stof waar enzym op inwerkt.
• Co-enzym = kleiner organisch molecuul dat enzym nodig heeft om werkzaam te zijn
(aan/uitschakelaar van enzym).
• Stereospecifiek = bij spiegelbeeldisomeren reageert enzym met een van de isomeren.
• Actieve centrum = plaats waar substraat zich hecht aan enzym (hier vindt reactie
plaats).
• Binding tussen substraat en enzym = enzym-substraatcomplex
• Reactiestappen: binding > omzetting > afscheiding (evenwichtsreacties)
• E+S⇄E-S⇄E-P⇄E+P